Direct naar content

Geld lenen kost geld (lees: rente) én straks ook belasting. Tenminste, als u in bepaalde situaties te veel geld leent bij uw vennootschap. Bijvoorbeeld om daar beleggingsvastgoed in privé mee aan te kopen. De fiscale regels voor onder andere de directeur-grootaandeelhouder (DGA) gaan namelijk behoorlijk veranderen. Hoe ziet de beoogde wetgeving eruit? Wat zijn de laatste ontwikkelingen daarover uit politiek Den Haag? En hoe kan de bank u daarbij helpen? Daarover gaat dit blog.

Geld lenen bij eigen vennootschap is straks minder fiscaal aantrekkelijk

Nu kunt u als DGA nog vaak ervoor kiezen om onbelast geld te lenen bij uw vennootschap. In plaats daarvan had u het geld ook als dividend of als loon kunnen ontvangen uit diezelfde vennootschap. Maar dan moet u daarover wel belasting betalen. De keuze voor een lening leidt dan ook in ieder geval tot belastinguitstel. Er zijn vaak discussies tussen DGA’s en de Belastingdienst over de hoogte van de schuld aan de eigen vennootschap. In hoeverre zou de BV de geldlening ook aan een willekeurige derde verstrekken onder dezelfde voorwaarden? Is dan bij de geldlening aan de aandeelhouder sprake van een bevoordeling waarover de aandeelhouder inkomstenbelasting moet betalen, eventueel met rente en in bijzondere situaties ook met een boete?

De regering wil deze discussies zo veel mogelijk vermijden en met nieuwe wetgeving het lenen uit de eigen vennootschap ontmoedigen. De nieuwe wetgeving zal niet alleen voor DGA’s gaan gelden, maar feitelijk voor elke aandeelhouder met een aanmerkelijk belang (kortweg: bij een aandelenbezit van 5% of meer). Veel aandeelhouders denken na of zij nu iets moeten doen.

Eerste peildatum wordt 31 december 2023

In juni 2020 heeft de regering het wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’ ingediend bij de Tweede Kamer. De beoogde ingangsdatum van de nieuwe wetgeving is 1 januari 2023. De peildatum om te bepalen of sprake is van excessief lenen, wordt 31 december. Aanmerkelijkbelanghouders met hoge schulden hebben dan ook tot 31 december 2023 de tijd om die te verminderen.

Hieronder ga ik in op de hoofdlijnen van de beoogde wetgeving. Daarna leest u over wat de bank voor u kan doen, over andere oplossingen én aandachtspunten.

Hoofdlijnen beoogde wetgeving

  • Voor zover u een schuld heeft aan uw vennootschap die in totaal meer bedraagt dan € 500.000 zal het meerdere vanaf eind 2023 bij u worden belast in box 2 met 26,9% (cijfers: 2021) inkomstenbelasting. Heeft u een fiscaal partner? Dan geldt het bedrag van € 500.000 voor u en uw fiscaal partner samen. U heeft dan samen één maximumbedrag van € 500.000, ook als u beiden aanmerkelijkbelanghouder bent van een andere vennootschap.
  • Er zijn meer situaties die onder de beoogde wetgeving vallen. Misschien heeft u een kind dat geld heeft geleend bij uw vennootschap? Onder andere deze situatie valt in principe ook onder de beoogde wetgeving. Maar voor dit kind geldt dan wel een aanvullende drempel van € 500.000 (gezamenlijk met diens partner).
  • Is uw kind dat het geld had geleend (zie het vorige punt) zelf geen aanmerkelijkbelanghouder in uw vennootschap? Dan wordt het bovenmatige gedeelte toegerekend aan u. Heeft uw kind zelf wel een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Dan geldt de maatregel bij uw kind zelf voor zover de betreffende schulden in totaal hoger zijn dan € 500.000. In de praktijk zal uw kind vrij snel aanmerkelijkbelanghouder zijn. Dit is namelijk bijvoorbeeld al het geval bij één aandeel in dezelfde vennootschap waarin u of uw fiscaal partner zelf wel een aanmerkelijk belang bezit.
  • Eigenwoningschulden tellen onder bepaalde voorwaarden niet mee voor het totaalbedrag van € 500.000. Dat zijn financieringsschulden voor uw hoofdverblijf waarvoor (rente)kostenaftrek in box 1 van de inkomstenbelasting bestaat. Deze uitzondering geldt ook voor de eigenwoningschuld in box 1 van bijvoorbeeld uw kind dat deze schuld is aangegaan bij uw vennootschap.
  • Daarnaast geldt voor nieuwe eigenwoningschulden (vanaf 2023) dat een recht van hypotheek moet zijn gevestigd bij de eigen vennootschap. Voor eigenwoningschulden die op 31 december 2022 bestaan, geldt deze laatste voorwaarde (vooralsnog) niet. Heeft u een woningfinanciering in box 3? Denkt u er dan aan dat deze schuld straks ook meetelt voor de grens van € 500.000. Een uitzondering op dat laatste zal gaan gelden voor de eigenwoningschuld die na 30 jaar naar box 3 gaat omdat het recht op aftrek van (rente)kosten dan vervalt.
  • Afgezien van bovengenoemde uitzonderingen voor eigenwoningschulden, maakt het bij de voorgestelde maatregel niet uit om welk type lening het gaat en waarvoor de lening wordt gebruikt. Het is ook niet belangrijk of er bijvoorbeeld voldoende zekerheden zijn gesteld of niet. Het gaat erom dat er feitelijk gelden zijn onttrokken aan de vennootschap.
  • De maatregel raakt ook situaties waarbij de schulden niet letterlijk bij de eigen vennootschap zijn aangegaan, maar die daar dicht tegenaan zitten. Bijvoorbeeld als uw vennootschap geld leent aan uw familielid dat het geld vervolgens weer doorleent aan u.
  • Er vindt geen saldering plaats van schulden met vorderingen en rechten op de vennootschap. Het gaat puur om het bedrag van de schulden aan de vennootschap.
  • Hoewel de maatregel het bovenmatige deel van de totale som van de schulden aan de eigen vennootschap als belastbaar inkomen in box 2 aanmerkt, blijft de lening civielrechtelijk bestaan. Ook de rente- en aflossingsverplichtingen blijven gelden. De maatregel heeft ook geen gevolgen voor bijvoorbeeld box 3.
  • Eventuele discussies met de Belastingdienst over uw schuldpositie met uw vennootschap tot € 500.000 blijven mogelijk. Totdat de nieuwe wetgeving ingaat, geldt hetzelfde ook voor schulden die in totaal hoger zijn dan € 500.000.

Wat kan de bank voor u doen?

Volgens demissionair staatssecretaris Vijlbrief (D66) van Financiën is het kabinet nog steeds van mening dat de periode tot 31 december 2023 lang genoeg zou moeten zijn om in het verleden aangegane leningen af te lossen, al dan niet met behulp van herfinanciering van deze leningen bij een bank.

Als u in privé beleggingspanden heeft die u heeft gefinancierd vanuit de eigen structuur, dan zou u uw bank kunnen vragen naar de mogelijkheden om uw bestaande financiering bij uw vennootschap (deels) over te sluiten naar de bank. Het is wel maatwerk als het gaat om de kredietmogelijkheden. Met de bancaire financiering kunt u dan geheel of gedeeltelijk de financiering aan de eigen structuur aflossen. Daarmee voorkomt u dat de nieuwe wetgeving u gaat raken.

Bij herfinanciering van een geldlening die bij uw vennootschap was aangegaan voor bijvoorbeeld de aankoop van beleggingsvastgoed in privé, is het belangrijk dat er ruimte is binnen de maximale bancaire financiering en de huidige hoogte van de financiering. Er zijn verschillende situaties denkbaar die vaak mogelijkheden bieden om te herfinancieren. Bijvoorbeeld bij panden waarin, na aankoop daarvan, eigen vermogen is ontstaan door waardestijging van de panden en/of door aflossingen op de geldlening. Of panden die bij aankoop met veel eigen vermogen zijn gefinancierd of bijvoorbeeld door herontwikkeling een hogere waarde hebben gekregen. Bij herfinanciering van een rekening-courantschuld aan de eigen vennootschap is onder andere belangrijk welke zekerheid u kunt verstrekken voor de geldlening van de bank. Tevens is het bij iedere bankfinanciering van belang dat de ontvangen bedragen worden gebruikt voor de aflossing van de schulden aan de vennootschap.

Neem dan ook tijdig contact op met uw banker om de mogelijkheden te bespreken. Hetzelfde geldt voor nieuwe situaties. Dan kunt u meteen een bankfinanciering overwegen. Uw banker zal u ook wijzen op alternatieven als die in uw belang zijn. Zie hierna onder ‘Andere oplossingen’.

Van een specifieke situatie is sprake als uw vennootschap geld onderbrengt bij een bank en u, als aandeelhouder, het weer leent in een ‘back-to-back-situatie’. Daar kan de maatregel ook voor gelden. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld als u geld leent bij een bank en u dankzij de garantstelling door uw vennootschap in staat bent de schuld bij de bank aan te gaan. Als de garantstelling uitsluitend leidt tot gunstigere voorwaarden voor uw schuld, zoals een lagere rente, dan valt de lening niet onder de maatregel volgens de regering. In dat geval kunt u ook ‘op eigen kracht’ de lening aangaan bij een bank. Om er zeker van te zijn dat de nieuwe financiering bij de bank straks niet onder de maatregel valt, kan het verstandig zijn dat u de fiscale gevolgen vooraf bespreekt met uw fiscalist en/of de Belastingdienst.

Andere oplossingen

Naast de eventuele mogelijkheid om de financiering bij uw vennootschap over te sluiten naar een bank, zijn vaak meer oplossingen denkbaar. U kunt er bijvoorbeeld voor kiezen uw schuld bij de BV gewoon aan te houden. Of u kunt uw schuld aan de eigen vennootschap mogelijk aflossen met box 3-vermogen of via een dividenduitkering. In het blog: ‘Wat te doen ingeval van ‘excessief lenen’ bij uw eigen BV?’ leest u wanneer deze mogelijkheden financieel interessant voor u kunnen zijn. In uw situatie zijn er misschien nog andere oplossingen. Bijvoorbeeld door uw beleggingsvastgoed in privé waarvoor u een geldlening heeft lopen bij uw vennootschap, over te dragen aan deze vennootschap en de geldlening af te lossen uit de verkoopopbrengst.

De oplossingen hebben (vaak) ook fiscale gevolgen. Overleg vooraf met uw fiscalist of de oplossing van uw keuze dan ook passend is in uw situatie (en die van uw familieleden). Uiteraard kunt u eerst met ons sparren voordat u uw fiscalist om advies vraagt. Hieronder leest u hoe en wanneer dat mogelijk is.

Aandachtspunten

  • Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’ kan bovengenoemde drempel van € 500.000 mogelijk nog voor enige discussie zorgen. Sommige politieke partijen willen het lenen uit de eigen vennootschap namelijk nog krachtiger ontmoedigen. En daarom deze drempel van € 500.000 verlagen naar € 200.000 (zoals D66, drempel is exclusief de eigenwoningschuld) of zelfs € 17.500 (zoals SP, PvdA en GroenLinks, drempel is inclusief de eigenwoningschuld). Dat bleek uit de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen in maart 2021.
  • Bovengenoemd tarief van 26,9% in box 2 gaat mogelijk in de toekomst nog verder omhoog. Enkele politieke partijen willen namelijk in plaats van dit tarief meer tarieven invoeren die hoger én progressief zijn. Dat zijn tarieven die oplopen naarmate de winst uit aanmerkelijk belang toeneemt. Zo kiest D66 voor tarieven van 28% tot 35%; SP: 27% en 36%, GroenLinks: 23,5% tot 42,9% en PvdA: 30% tot 45%. Andere partijen willen het huidige tarief van 26,9% handhaven (CDA en ChristenUnie) of verlagen (VVD).
  • Hierboven kwam de mogelijkheid ter sprake om bijvoorbeeld beleggingsvastgoed over te dragen aan de eigen vennootschap. Dat heeft fiscale gevolgen, bijvoorbeeld voor de overdrachtsbelasting en/of btw. Het tarief van de overdrachtsbelasting is per 2021 nog verhoogd van 6% naar 8%. Mogelijk gaat dit tarief verder omhoog naar bijvoorbeeld 10%. Onder andere VVD, CDA, PvdA en GroenLinks hadden dat namelijk in hun verkiezingsprogramma staan.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.