Direct naar content

In september 2019 presenteerde de regering een plan om de belastingheffing over het vermogen in box 3 te veranderen per 2022. Vrijwel zeker gaat dat plan niet door. Staatssecretaris Vijlbrief (D66) van Financiën zei namelijk onlangs tijdens het interview met hem in het tv-programma ‘Buitenhof’, dat hij met een ander plan komt. Wat zijn enkele mogelijkheden en wat kunnen we verwachten?

Het plan uit 2019 bevat een ruime tegemoetkoming voor spaarders, omdat zij met hun spaargeld geen of nauwelijks rendement behalen. Voor andere bezittingen dan spaargeld in box 3, waaronder – naast aandelen en verhuurd vastgoed – ook obligaties die een laag rendement opleveren, het tweede huis en vorderingen op de kinderen, zou volgens het plan een vrij hoog forfaitair rendement gaan gelden. De huidige staatssecretaris komt met een ander plan, waarbij hij vooral de ‘kleine’ spaarder en de ‘kleine’ belegger tegemoetkomt. Naar verwachting gaat het heffingvrije vermogen (de algemene vrijstelling in box 3, in 2020: € 30.846 per belastingbetaler) verder omhoog.

Recente veranderingen in box 3

Sinds 2001 rekent de Belastingdienst voor de heffing van inkomstenbelasting over het vermogen in box 3 met een forfaitair (lees: vast) rendement. Voor deze belastingheffing is het daardoor niet van belang hoe hoog het werkelijk behaalde rendement is. Vóór 2017 ging men uit van een forfaitair rendement van 4%. Dat was vooral in de beginjaren van deze eeuw voor de belastingheffing een mooi rendementspercentage. Belastingbetalers konden dat rendement namelijk eenvoudig en zonder al te veel risico behalen; vaak was een hoger rendement mogelijk. Men sprak over box 3 als de ‘pretbox’.

Tijden veranderen. Vooral spaarders ervaren de laatste jaren dat zij inkomstenbelasting moeten betalen over een forfaitair rendement dat zij niet hebben behaald. De ‘pretbox’ veranderde in ‘pechbox’.

Sinds 2017 is de hoogte van het forfaitair rendement afhankelijk van de omvang van het vermogen in box 3. Er zijn inmiddels drie vermogensschijven. De forfaitaire rendementspercentages variëren in 2020 van 1,789% tot 5,28%, afhankelijk van de omvang van het vermogen in box 3. Hier leest meer over de belastingheffing in box 3 in 2020.

Tweede Kamer wil werkelijke rendement belasten

Het gebruikmaken van een forfait heeft in ieder geval één belangrijk voordeel ten opzichte van het belasten van het werkelijke rendement. Een forfait zorgt namelijk voor relatief stabiele belastingopbrengsten. Dat is een belangrijk voordeel voor de regering, vooral wanneer sprake is van verliezen op beleggingen in box 3. Daarbij komt dat de wens van de Tweede Kamer om het werkelijke rendement te belasten, tot nog toe niet haalbaar bleek. De regering heeft in 2016 drie voorstellen gedaan om het werkelijk behaalde rendement te belasten. Die voorstellen bleken voor de uitvoering ‘structureel problematisch’, met verregaande gevolgen voor belastingbetalers, financiële instellingen en de Belastingdienst. Hier leest u er meer over.

Aanpassing parameters

In 2017 heeft de regering een vierde voorstel gedaan om parameters binnen de huidige box 3 aan te passen, zoals de vermogensrendementspercentages, de gewichten van sparen en beleggen in de vermogensmix per vermogensschijf, de lengte van de vermogensschijven, het heffingvrije vermogen en het tarief.

Dat voorstel kent belangrijke voordelen: eenvoud van het systeem zowel voor de belastingbetaler als voor de Belastingdienst, een betere aansluiting bij de werkelijke actuele rendementen, de ‘kleine’ spaarder wordt ontzien, relatief stabiele belastingopbrengsten, lage uitvoeringskosten en administratieve lasten en de mogelijkheid om de aanpassingen op korte termijn in te voeren. Bij dit voorstel blijft de basis van de vermogensrendementsheffing in stand.

In de eerste vermogensschijf – in 2020: tot € 72.797 (na vermindering van het heffingvrije vermogen) – zou bijvoorbeeld het spaarrendement voor 100% kunnen gaan gelden. Sinds 2017 wordt dat voor 67% bepaald door het spaarrendement en voor 33% door het beleggingsrendement. De belastingheffing in de eerste schijf zou dan plaatsvinden over een rendement dat in het recente verleden met sparen behaald kon worden. Dat kan het draagvlak voor de belastingheffing in box 3 vergroten.

Inmiddels sluit het forfaitaire rendement op spaarrente al sneller dan daarvoor aan op de gerealiseerde spaarrente. Zo kijkt men voor de spaarrente voor 2021 naar de periode juli 2019 tot en met juni 2020. En het heffingvrije vermogen in box 3 is al in 2018 behoorlijk opgetrokken van € 25.000 tot € 30.000, waardoor er destijds al circa 360.000 minder belastingbetalers waren in box 3; daarna is deze vrijstelling geïndexeerd. Dit bedrag zou verder omhoog kunnen gaan naar misschien € 50.000 of een ander bedrag per belastingbetaler.

Een verbetering in het plan uit 2019 zou het differentiëren van het forfaitair rendement voor andere bezittingen dan spaargeld kunnen zijn (lees: meer rendementspercentages). Het rendement op vastgoed is nu eenmaal anders dan het rendement op obligaties. Het plan uit 2019 gaat immers uit van één forfaitair rendement voor alle andere bezittingen dan spaargeld. Mogelijk is rond of op Prinsjesdag (dinsdag 15 september a.s.) meer hierover bekend.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.