Direct naar content

Op de derde dinsdag van september is het Prinsjesdag. Een dag met veel traditie en een belangrijke rol voor de koning, de regering en het parlement. Maar voor het eerst sinds 1908 vindt Prinsjesdag dit jaar op een andere locatie plaats, vanwege het coronavirus: niet in de Ridderzaal op het Binnenhof in Den Haag, maar daar vlakbij in de ruimere Grote Kerk. Dit jaar ook zonder rijtoer van de koning en balkonscène op Paleis Noordeinde. De koning leest de Troonrede voor. En de regering biedt in de Tweede Kamer de Miljoenennota en de Rijksbegroting aan en maakt haar (fiscale) voorstellen voor het jaar 2021 bekend.

Sommige cijfers staan al vast, maar daarin kan altijd nog wat veranderen. Hoe zien enkele belangrijke fiscale regels in 2021 eruit voor particulieren? Wat kunnen we verwachten? Hieronder alvast een voorbeschouwing.

Laatste regeringsjaar?

Naar verwachting komt het huidige kabinet-Rutte III dit jaar op Prinsjesdag met een beperkt aantal belastingvoorstellen. Het kabinet heeft immers al een groot gedeelte van de fiscale voornemens in zijn regeerakkoord uit 2017 uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van het tweeschijvenstelsel (de sociale vlaktaks), de beperking van het belastingvoordeel voor veel aftrekposten en het sneller aansluiten van de belastingheffing in box 3 op het werkelijke spaarrendement.

Ook op het gebied van de woningmarkt verwachten wij geen grote belastingplannen op Prinsjesdag. Eind 2019 schreef de toenmalige staatssecretaris Snel (D66) van Financiën namelijk nog ‘dat het aan een volgend kabinet is om eventueel stappen te zetten om tot een minder complexe behandeling van de eigen woning te komen’; dat geldt ook voor de te maken keuzes die hieraan ten grondslag moeten liggen.

Het jaar 2021 is naar verwachting het laatste regeringsjaar van dit kabinet, ervan uitgaande dat de Tweede Kamerverkiezingen volgens de planning op woensdag 17 maart 2021 worden gehouden. Eventueel kunnen deze verkiezingen met maximaal één jaar worden uitgesteld, mocht dat noodzakelijk zijn vanwege het coronavirus. Dat volgt uit een brief van minister Ollongren (D66) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

“Snoeien van je boom in hartje winter is onverstandig”

De regering heeft vanwege de coronacrisis buffers in de overheidsfinanciën moeten aanspreken en extra geld moeten lenen om bedrijven met betalingsproblemen te kunnen stutten. Dat geld moet een keer worden terugbetaald. De vraag is natuurlijk wie daarvoor opdraait en wanneer. Zien we daarvan iets terug op Prinsjesdag? Minister Hoekstra (CDA) van Financiën wil in ieder geval ‘geen snelle lastenverzwaring of ‘rabiate’ bezuinigingen, omdat dat zorgt voor schade aan onze economie’. Volgens de minister moeten we de buffers in 15 à 20 jaar weer opbouwen. Hoekstra: "Ik denk dat het snoeien van je boom in hartje winter onverstandig is". De minister is ook geen voorstander van belastingverhogingen voor de gewone Nederlanders.

Inmiddels is er een initiatief van een groep van 84 van de rijkste mensen op aarde (Millionaires for humanity), waaronder enkele Nederlanders, die overheden vraagt hen onmiddellijk, substantieel en blijvend extra te belasten om uit de coronacrisis te kunnen komen. Naar verwachting komt de regering op Prinsjesdag ook met het langverwachte investeringsfonds.

Mogelijk komen er geen bezuinigingen in 2021. Maar bijvoorbeeld een tijdelijke verlaging van de btw zit er voor het kabinet (vooralsnog) ook niet in. Dat blijkt uit de antwoorden op recente Kamervragen van staatssecretaris Vijlbrief (D66) van Financiën.

Lagere tarieven in box 1

Onder het huidige kabinet-Rutte III zien we duidelijk een verlaging van de belastingdruk op arbeid. Het toptarief in box 1 was in 2017 nog 52%. Dat is stapsgewijs verlaagd naar 49,5% per 2020. Ook veel andere tarieven in box 1 zijn verlaagd. Tegelijkertijd heeft het kabinet een aantal maatregelen genomen om de koopkracht van met name de lagere inkomensgroepen te verbeteren. Denk met name aan de verhoging van de algemene heffingskorting. Sinds 2020 kennen we een tweeschijvenstelsel met een basistarief en een toptarief (de sociale vlaktaks). Voor belastingbetalers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, is er een extra belastingschijf met een lager tarief omdat zij geen AOW-premie betalen.

De tarieven in box 1 voor 2021 zijn vorig jaar al vastgesteld en staan daardoor in principe vast. Zie hieronder de tabellen met de vastgestelde percentages voor 2021 voor belastingbetalers die jonger zijn dan de AOW-leeftijd (zie Tabel 1) en voor belastingbetalers die de AOW-leeftijd al hebben bereikt (zie Tabel 2). Op of na Prinsjesdag weten we of dit de definitieve cijfers zijn voor box 1 in 2021. Hier leest u meer over de tarieven in box 1 in 2020.

2021 Jonger dan AOW-leeftijd
Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van méér dan maar niet meer dan is het gecombineerde tarief (inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen)
€ – € 68.507 37,1%
€ 68.507 € – 49,5%

Tabel 1. Tarieven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen in box 1 in 2021 voor belastingbetalers jonger dan AOW-leeftijd.

2021 Vanaf AOW-leeftijd
Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van méér dan maar niet meer dan is het gecombineerde tarief (inkomstenbelasting en premies
volksverzekeringen)
€ – € 34.712 / € 35.375 * 19,2%
€ 34.712 / € 35.375 * € 68.507 37,1%
€ 68.507 € – 49,5%

Tabel 2. Tarieven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen in box 1 in 2021 vanaf AOW-leeftijd.
* Voor belastingbetalers die zijn geboren vóór 1946 geldt in de eerste en tweede schijf het bedrag van € 35.375 in plaats van € 34.712 (vooralsnog worden deze bedragen niet geïndexeerd).

Minder belastingvoordeel bij veel aftrekposten

Tegenover de lagere belastingtarieven in box 1 staat dat veel aftrekposten in 2021 nog slechts verrekenbaar zijn tegen maximaal 43%. Dit verrekentarief van 43% gaat na 2021 verder omlaag naar 40% in 2022 en naar 37,1% in 2023. Dit geldt onder andere voor de aftrek van hypotheekrente, partneralimentatie, giften en zorgkosten. Deze afbouw van het verrekenpercentage staat al vast.

Eigenwoningforfait verder omlaag

Het eigenwoningforfait is een bijtelling bij het belastbaar inkomen in box 1 van de inkomstenbelasting voor de eigenaar-bewoner van een hoofdverblijf. In 2021 is het eigenwoningforfait bij een WOZ-waarde tussen € 75.000 en circa € 1.090.000 0,5% van de WOZ-waarde (cijfer 2020: 0,6%). Voor het belastingjaar 2021 gaat het om de WOZ-waarde die is bepaald op de peildatum 1 januari 2020. Dit percentage daalt de komende jaren naar 0,45% in 2023. Voor zover de WOZ-waarde hoger is dan circa € 1.090.000 blijft het eigenwoningforfait 2,35%, vooralsnog tot en met 2023. Deze percentages staan al vast.

Verdere beperking ‘Hillen-aftrek’

Als de bijtelling van het eigenwoningforfait hoger is dan de aftrekbare hypotheekrente, dan heeft u voor het verschil recht op een extra aftrekpost. Sinds 2019 gaat deze aftrek jaarlijks met 3,33%-punt omlaag. Dit gebeurt gedurende een periode van 30 jaar. In 2021 bedraagt de ‘Hillen-aftrek’ 90% (cijfer 2020: 93,33%) van de oorspronkelijke aftrekpost.

Als u gebruikmaakt van deze aftrekpost, dan gaat uw belastbaar inkomen in box 1 steeds jaarlijks omhoog met 3,33% van het saldo van eigenwoningforfait en aftrekbare (rente)kosten. Over deze toename moet u dan weer inkomstenbelasting betalen. Dit raakt met name mensen met een huis zonder financiering of met een lage financiering ten opzichte van de WOZ-waarde. Deze verandering staat ook al vast.

Nieuwe rendementspercentages in box 3

Vrijwel zeker maakt de regering op Prinsjesdag de nieuwe forfaitaire rendementspercentages voor de belastingheffing in box 3 over 2021 bekend. Dat gebeurde vorig jaar namelijk ook voor 2020. Hier leest u meer over de belastingheffing in box 3 over 2020. Het gaat om het forfaitair spaarrendement en het forfaitair beleggingsrendement, de geïndexeerde vermogensschijven voor de belastingheffing op de peildatum 1 januari 2021 en de hoogte van het heffingvrije vermogen in box 3, de algemene vrijstelling. Dan weet u ook hoeveel inkomstenbelasting u moet betalen over uw vermogen in box 3 over 2021.

Nieuw belastingplan voor box 3

Onlangs kondigde staatssecretaris Vijlbrief een nieuw plan aan voor de belastingheffing in box 3 voor de toekomst. Het in 2019 door zijn voorganger ingediende plan kwam weliswaar spaarders tegemoet, maar benadeelde andere belastingbetalers in box 3. Hier leest u er meer over. Op Prinsjesdag zal de regering een nieuw voorstel binnen het huidige box 3-stelsel presenteren, bedoeld om de meeste spaarders en de kleine beleggers tegemoet te komen. Naar verwachting gaat het heffingvrije vermogen in box 3 verder omhoog. Hier leest u er meer over.

Uit de bijlage bij de antwoorden van staatssecretaris Vijlbrief op recente Kamervragen blijkt hoeveel belastingbetalers een box 3-vermogen van meer dan 1 miljoen euro bezitten. Uitgaande van de data over 2017 zijn dat ongeveer 44.000 belastingbetalers. Zij hadden een gezamenlijk box 3-vermogen van 102,8 miljard euro, waarvan 59 miljard euro is belast in de hoogste vermogensschijf (meer dan circa 1 miljoen euro). Over 2017 betaalden zij 1,4 miljard euro inkomstenbelasting over hun totale box 3-vermogen, waarvan 0,9 miljard euro over het vermogen in de hoogste schijf van box 3.

Tarieven voor de overdrachtsbelasting

De Tweede Kamer heeft de regering eerder gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken om starters op de woningmarkt vrij te stellen van overdrachtsbelasting en om het tarief voor vastgoedbeleggers vanaf de derde woning te verhogen. Inmiddels is nader onderzoek gedaan. De kans lijkt vooralsnog gering dat de regering hiervoor concrete voorstellen zal presenteren op Prinsjesdag. Hier leest u er meer over. Inmiddels heeft minister Ollongren al wel enkele andere voorstellen gedaan om de positie van mensen met een middeninkomen en starters op de woningmarkt te kunnen verbeteren.

Per 2021 gaat het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen omhoog van 6% naar 7%. Deze tariefsverhoging staat al vast. Niet-woningen zijn bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, bedrijfsruimten, grond die is bestemd voor woningbouw en hotels en pensions. Deze verandering houdt verband met de financiering van de voorstellen uit het Klimaatakkoord. Het tarief van de overdrachtsbelasting voor de verkrijging van woningen blijft vooralsnog 2%.

Op zoek naar een meerderheid in het parlement

Natuurlijk weten we op Prinsjesdag pas echt welke belastingvoorstellen de regering doet. En dan moet ze hiervoor nog een meerderheid zien te vinden in het parlement. Zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer heeft het kabinet immers geen meerderheid meer en is daarvoor ook aangewezen op (een gedeelte van) de oppositie.

In de Tweede Kamer kan de huidige coalitie rekenen op 75 van de 150 Kamerzetels (VVD: 32, CDA: 19, D66: 19 en ChristenUnie: 5). Dat betekent dat alle andere partijen in deze Kamer het kabinet aan een meerderheid kunnen helpen. In de Eerste Kamer ligt dat wat lastiger. Daar heeft de coalitie 32 van de 75 Kamerzetels (VVD: 12, CDA: 9, D66: 7 en ChristenUnie: 4). Er zijn drie partijen die het kabinet zelfstandig aan een meerderheid kunnen helpen: Forum voor Democratie (+10), GroenLinks (+8) en PvdA (+6).

Vorig jaar stemden naast de coalitiepartijen ook GroenLinks en SGP in de Eerste Kamer nog vóór het Belastingplan 2020. En naast de coalitiepartijen stemden PVV, GroenLinks, SP, PvdD, PvdA, SGP, OSF en 50PLUS in de Eerste Kamer vóór de Overige Fiscale Maatregelen 2020. Wij blijven de fiscale ontwikkelingen nauwgezet volgen.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.