Direct naar content

Tegenvallende beleggingsresultaten door een kwakkelende beurs en/of een extreem lage rente. Dan voelt het niet lekker om als aanmerkelijkbelanghouder in een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) toch aangeslagen te worden voor een relatief hoog forfaitair inkomen in box 2. In 2020 bedraagt dit inkomen 5,28% van de waarde van het belang in de VBI per begin van het kalenderjaar. Daarover betaalt men 26,25% inkomstenbelasting. Niet vreemd dat men kan gaan twijfelen aan het nut van de VBI als beleggingsvehikel. En men zich afvraagt of men de VBI-status niet beter kan kwijtraken. Die emotie is begrijpelijk. Toch is daar in veel gevallen rationeel gezien geen reden toe.

De ene VBI is de andere niet

Er zijn – afgezien van door financiële instellingen voor het grote publiek opgerichte beleggingsfondsen – 2 categorieën van VBI’s. Het verschil zit daarbij in de herkomst van het vermogen in de VBI.

  1. VBI’s die zijn opgericht door belegbaar vermogen uit een bestaande holding-BV met substantiële winstreserves af te splitsen; op dit vermogen rust een aanmerkelijkbelangclaim (IB box 2);
  2. VBI’s die zijn opgericht door privévermogen uit box 3 als kapitaal in een VBI te storten; op dit vermogen rust (bij aanvang) geen aanmerkelijkbelangclaim.

1. VBI’s met (grotendeels) beclaimd vermogen

Een groot deel van de bestaande VBI’s behoort tot de eerste categorie. Als gevolg van een wetswijziging worden sinds 20 september 2016 geen nieuwe VBI’s meer op die manier opgericht. Vóór die datum schoof de aanmerkelijkbelangclaim door naar de aandelen in de VBI. Nu moet men direct afrekenen in box 2 over bestaande winstreserves, waardoor dit niet langer fiscaal voordelig is.

Dividend uitkeren blijft mogelijk

VBI’s in de eerste categorie beschikken over winstreserves waaruit dividend kan worden uitgekeerd, ook als er geen rendement wordt gerealiseerd. Aanvankelijk is de verkrijgingsprijs van het belang in de VBI te verwaarlozen. Uitgaande van een forfaitair voordeel in box 2 van 5,28% en een box 2-tarief van 26,25%, is een dividend van 1,386% precies voldoende om de inkomstenbelasting in box 2 te betalen. Het daadwerkelijk uitgekeerde dividend komt in mindering op het forfaitaire inkomen in box 2, dat daarmee uitkomt op 3,894% (5,28% min 1,386%).

De fiscale verkrijgingsprijs van het belang in de VBI wordt in dit geval met 3,894% verhoogd. Daardoor wordt de toekomstige aanmerkelijkbelangclaim navenant lager. Naast de belastingclaim op het dividend dat daadwerkelijk de VBI verlaat, rekent men immers ook de belastingclaim over het forfaitaire inkomen af dat men niet ontvangt. Zolang de VBI gemiddeld genomen een rendement groter dan nul realiseert, levert dat een voordeel op boven beleggen in een vennootschapsbelastingplichtige entiteit.

Opgeven VBI-status na verlies?

Wanneer door dalende beurskoersen het beleggingsresultaat negatief uitvalt, levert de VBI-status geen voordeel op. Althans niet in dat jaar. De gedachte zou dan kunnen opkomen om de VBI-status op te geven. Daarbij moet men bedenken dat de beslissing om dit te doen ook nog vlak voor het einde van het boekjaar genomen kan worden. De vennootschap wordt dan met terugwerkende kracht tot het begin van dat boekjaar vennootschapsbelastingplichtig.

Het ontstane verlies kan dan met positieve resultaten in de 6 toekomstige boekjaren worden verrekend. In die periode hoeft de vennootschap geen belasting te betalen. En omdat de VBI-status eraf is, is het forfaitaire voordeel in box 2 niet meer van toepassing. Maar bedenk dat bij voortzetting van de VBI-status ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd is over toekomstige winsten. Ook niet over winsten die ontstaan nadat het verlies is gecompenseerd.

Geen weg terug na kwijtraken VBI-status

Bedenk dat kwijtraken van de VBI-status onomkeerbare fiscale gevolgen heeft. Immers, zou de vennootschap later opnieuw de VBI-status verkrijgen, dan moet op dat moment in box 2 worden afgerekend over de volledige aanmerkelijkbelangclaim. En dat is onvoordelig. Wie over langere termijn bezien per saldo positieve rendementen maakt, is toch beter af mét de VBI-status. Ondanks het feit dat jaarlijks een stukje van de aanmerkelijkbelangclaim moet worden afgerekend.

2. VBI’s met (grotendeels) onbeclaimd vermogen

VBI’s die tot de tweede categorie behoren, zijn van een heel andere orde. Die zijn opgericht door particulieren met substantieel vermogen in box 3 waarover zij geen of een relatief bescheiden rendement verwachten. Bij lage rendementen drukt de vermogensrendementsheffing in box 3 zwaar. Het kan dan voordelig zijn om de heffing in box 3 over een forfaitair rendement in te ruilen voor een heffing in box 2 over het werkelijke rendement.

Dat kan bijvoorbeeld door  samen met één of meer andere beleggers vermogen in een NV of open fonds voor gemene rekening (OFGR) in te brengen. Onder voorwaarden kan die NV of OFGR de VBI-status verkrijgen en aldus zonder heffing van vennootschapsbelasting beleggen. Bij aanvang is de verkrijgingsprijs van het belang in de VBI hier gelijk aan het ingebrachte vermogen.

Opbouwen potentieel verlies box 2

Ook in deze situatie heeft men als aanmerkelijkbelanghouder in de VBI te maken met het forfaitaire voordeel in box 2. Wanneer het rendement dat de VBI behaalt minder is dan het forfaitaire rendement, zal een potentieel verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) ontstaan. De verkrijgingsprijs komt dan steeds verder boven de werkelijke waarde van het VBI-vermogen te liggen.

Voorbeeld

Stel, per 1 januari van een jaar is € 1.000.000 aan kapitaal in een OFGR met VBI-status aanwezig. De fiscale verkrijgingsprijs van de participaties is € 1.000.000. Stel, het rendement in dat jaar is nihil. De participanten moeten (gezamenlijk) privé wel 26,25% IB betalen over een forfaitair voordeel van 5,28% over € 1.000.000. Dat is € 13.860. De VBI beschikt (nog) niet over winstreserves waaruit dividend kan worden betaald. De VBI kan in beginsel wel (onbelast) € 13.860 aan kapitaal terugbetalen. Daarmee kan de verschuldigde box 2-belasting worden voldaan. Het vermogen in de VBI daalt daardoor tot € 986.140. De verkrijgingsprijs van de VBI-participaties stijgt van € 1.000.000 naar € 1.038.940. Namelijk (5,28% forfaitair voordeel - 1,386% terugbetaling kapitaal) x € 1.000.000. Er is een potentieel aanmerkelijkbelangverlies ontstaan van € 986.140 - € 1.038.940 = € 52.800 (negatief)

Verlies te gelde maken

Als men aan de ene kant circa 1,3% – 1,6% box 3-heffing bespaart en aan de andere kant circa 1,4% belasting in box 2 betaalt, is dat weinig voordelig. Het voordeel moet vooral ontstaan doordat het opgebouwde potentiële verlies in box 2 ‘te gelde gemaakt kan worden’. Dat kan door het verlies in box 2 dat in enig jaar tot uitdrukking komt, te compenseren met positief inkomen in box 2 uit andere jaren. Verliesverrekening is mogelijk met positief inkomen in box 2 van het voorgaande jaar en 6 toekomstige jaren.

Het verlies uit aanmerkelijk belang komt bijvoorbeeld tot uitdrukking wanneer de VBI wordt geliquideerd (opgeheven). Normaliter kan bij liquidatie alleen het (forfaitaire) inkomen van het voorgaande jaar dan compensatie bieden (tenzij men nog aandeelhouder van een andere vennootschap blijft). Als gedurende meerdere jaren potentieel box 2-verlies is opgebouwd, zal daarmee slechts een deel van het verlies gecompenseerd kunnen worden. Er is dan nog wel een mogelijkheid om het box 2-verlies om te zetten in een toekomstige korting op de verschuldigde inkomstenbelasting in box 1. Maar dan wordt het een ingewikkelde en lange weg om het beoogde voordeel te bereiken. Wie structureel een zeer laag rendement maakt, is misschien beter af zonder VBI-status.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.