Chat with us, powered by LiveChat

ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus

Nieuwe opzet box 3: hoeveel belasting gaat u straks betalen?

De heffingssystematiek in box 3 gaat opnieuw op de schop. Anderhalve week vóór Prinsjesdag 2019 presenteerde staatssecretaris Snel een voorstel om de belastingheffing in box 3 eerlijker te maken. En beter aan te laten sluiten bij het werkelijke rendement dat belastingplichtigen op hun vermogen behalen. Hier leest u de hoofdlijnen van het voorgestelde systeem, dat per 2022 in moet gaan. Spaarders gaan er fors op vooruit. Beleggers gaan juist meer betalen. En ook zij die beleggen met geleend geld en nu soms helemaal niets betalen, gaan straks (meer) box 3-heffing betalen. Hoeveel gaat u straks meer of minder betalen ten opzichte van 2020?

Spaarders veel beter af

Belastingplichtigen met alleen spaargeld betalen straks helemaal geen box 3-heffing als hun spaargeld beneden ongeveer € 444.000 per fiscaal partner blijft. Bijna € 9 ton dus voor partners samen. Dat bedrag is berekend op basis van een forfaitair spaarrendement van 0,09% en een heffingvrij inkomen van € 400 per partner (€ 400 / 0,09% = € 444.444). Voor elke € 10.000 extra spaargeld boven de grens van circa € 444.000 per persoon, betalen ‘pure spaarders’ straks slechts € 3 belasting (33% x 0,09% x € 10.000 = € 2,97). Dat is 0,03%. In onderstaande grafiek komt de lichtgroene lijn dan ook nauwelijks boven de horizontale as uit. In het huidige box 3-stelsel (cijfers 2020) bedraagt de effectieve belasting als percentage van het box 3-vermogen al 0,55% over de eerste euro’s boven het heffingvrije vermogen van € 30.846 per partner. Tussen grofweg een ton en een miljoen aan spaargeld per persoon ligt de effectieve druk in 2020 op 1,27%. Daarboven wordt het maximum bereikt van 1,60%.

Beleggers betalen straks meer

Belastingplichtigen die uitsluitend beleggingsvermogen hebben, zijn beduidend minder goed af in het voorgestelde nieuwe stelsel. Zij hoeven geen box 3-heffing te betalen, wanneer zij met hun beleggingen beneden de bezittingendrempel van € 30.846 per partner blijven. Maar de ‘pure belegger’ die meer bezit, betaalt straks over elke € 10.000 aan beleggingen € 176 belasting (33% x 5,33% x € 10.000 = € 175,89). Slechts een tegenwaarde van ongeveer € 7.500 per partner (heffingvrij inkomen € 400 p.p. / 5,33%) blijft de facto vrijgesteld. De (marginale) effectieve belastingdruk als percentage van het beleggingsvermogen komt straks dus op ongeveer 1,76%. In het huidige box 3-stelsel (cijfers 2020) is die effectieve belastingdruk een stuk lager. En loopt deze geleidelijk op: eerst 0,55%, dan 1,27% en vervolgens 1,60% boven grofweg € 1 miljoen per persoon. De donkergroene lijn in figuur 1 ligt dan ook een stuk boven de lijn die de belasting in het huidige systeem weergeeft.

Partners relatief meer op achteruit

In het huidige systeem neemt de effectieve belasting toe naarmate het vermogen in box 3 groter is. Fiscaal partners hebben het voordeel dat ze het gezamenlijke vermogen in de belastingaangifte gelijkmatig mogen verdelen. Waardoor ze feitelijk tweemaal profiteren van de progressie in de tariefstructuur. Een alleenstaande betaalt in 2020 al boven grofweg € 1 miljoen vermogen 1,60%. Partners pas boven ruim € 2 miljoen. In het voorgestelde nieuwe systeem gelden voor spaargeld en overig vermogen vaste forfaitaire rendementspercentages, ongeacht de omvang van het vermogen. Voor fiscaal partners die uitsluitend beleggingsvermogen hebben, is het heffingvrije inkomen € 800 in plaats van € 400. Bij een forfaitair rendement van 5,33% is feitelijk dan slechts circa € 7.500 extra beleggingsvermogen vrijgesteld (€ 400 / 5,33% = € 7.504). Partners betalen over elke euro aan beleggingsvermogen boven circa € 15.000 (alleenstaande € 7.500) in het nieuwe systeem dus meteen 1,76%.

Beleggen met geleend geld

Nu betaalt iemand die beleggingen volledig met geleend geld heeft gefinancierd helemaal geen box 3-heffing. Immers, de schuld komt (boven een drempel van € 3.100 per partner) volledig in mindering op de waarde van de bezittingen en kan de rendementsgrondslag volledig uithollen. In zo’n situatie heeft men voordeel wanneer het rendement op de bezittingen boven de werkelijk te betalen rente op de schuld ligt. Onder de voorgestelde nieuwe regeling komt een soort ‘leenrenteforfait’ van 3,03% in mindering op het forfaitaire inkomen uit spaargeld en beleggingen. Normaliter financiert men slechts beleggingsvermogen en geen spaargeld met geleend geld. Dan betaalt men straks 33% x (5,33% -/- 3,03%) = 33% x 2,30% = 0,759% box 3-heffing voor zover er schulden staan tegenover beleggingsvermogen. Dat betekent dat het break-evenrendement navenant hoger komt te liggen.

Voorbeeld

Joris heeft € 1.000.000 beleggingen en € 1.000.000 schuld in box 3 tegen 3% rente. In het huidige box 3-systeem betaalt hij geen box 3-heffing. Hij speelt quitte als hij op zijn beleggingen ook 3% rendement realiseert. Daarboven heeft hij voordeel. In het nieuwe systeem zal hij 33% betalen over 2,30% x € 1.000.000 = 0,759% x € 1.000.000. Om quitte te spelen zal hij nu circa 3,76% moeten behalen.

Gedragseffecten

Staatssecretaris Snel voorziet enkele gedragseffecten, als de nieuwe regeling wordt ingevoerd:

  • Aflossen schulden door beleggers die met geleend geld beleggen.
  • Verruilen obligaties voor spaargeld
  • Het buiten de anti-arbitragetermijn (tijdelijk) omzetten van beleggingen in spaargeld

Aflossen schulden

Beleggen met geleend geld doe je normaliter alleen als je in aandelen of onroerend goed belegt en daarbij een relatief hoog rendement verwacht. Het extra rendement dat nodig is om nog voordeel te blijven behalen is slechts circa 0,76%. Het is dan ook de vraag of degenen die doelbewust met geleend geld beleggen zich af zullen laten schrikken door de extra belasting en schulden zullen gaan aflossen.

Verruilen obligaties voor spaargeld

Obligaties en spaargeld zijn beide relatief risicomijdende beleggingen. En bieden beide momenteel een zeer laag rendement. Het effectieve rendement op staatsobligaties is zelfs al negatief geworden. Obligaties vallen onder het nieuwe systeem onder ‘beleggingen’, waarvoor een forfaitair rendement van 5,33% geldt. Terwijl voor spaargeld slechts een forfaitair rendement van 0,09% geldt. Het is dan ook te verwachten dat particuliere beleggers (box 3) massaal obligaties zullen omzetten in spaargeld.

Omzetten beleggingen in spaargeld buiten anti-arbitragetermijn.

Zonder nadere maatregelen zou het nieuwe systeem ontwijkgedrag in de hand kunnen werken. Het verschil in forfaitair rendement uit spaargeld en uit beleggingen is zeer groot. Door rondom de peildatum in box 3 (1 januari) tijdelijk beleggingen in spaargeld om te zetten en weer terug, zou immers belasting kunnen worden bespaard. Om dat tegen te gaan denkt men aan het instellen van een bepaalde anti-arbitrageperiode rondom de peildatum. Omzettingen binnen die periode zouden fiscaal ontmoedigd kunnen worden. Er is nog geen concrete periode genoemd in het voorstel. Maar stel dat deze enkele maanden zou zijn. Het is dan de vraag of een belegger er verstandig aan doet om buiten die periode beleggingen in spaargeld om te zetten en vice versa. Dat zal met name afhangen van de (verwachte) rendementsontwikkeling in de anti-arbitrageperiode. Ook kunnen aan- en verkoopkosten van de beleggingen een rol spelen. De te bereiken belastingbesparing komt neer op 33% x (5,33% -/- 0,09%) = ca. 1,73%. Verwacht men een rendement van meer dan 1,73% gedurende de anti-arbitrageperiode, dan is het gunstiger om de beleggingen te behouden. Als men ook rekening houdt met de kosten om de beleggingen te verkopen en later – buiten de anti-arbitrageperiode – weer terug te kopen, is men bij een nóg lager rendement gedurende de anti-arbitrageperiode al beter af door de beleggingen in bezit te houden.

Tot slot

Hiervoor is de impact voor ‘pure’ spaarders en beleggers geanalyseerd. De praktijk zal vaak zijn dat men in box 3 zowel spaargeld als overige bezittingen heeft. En in bepaalde gevallen ook nog schulden. Dan zal een maatwerkberekening moeten worden gemaakt om het effect van het voorgestelde systeem te bepalen. Daarbij moeten we ons realiseren dat dit nog geen concreet wetsvoorstel is. Maar nog slechts een eerste concept. We blijven de ontwikkelingen voor u volgen.

Deel deze pagina

Artikel geschreven door:

Profiel foto van René Bruel
René Bruel DGA en BV, internationale belastingen

René Bruel is werkzaam binnen het Kenniscentrum. Hij houdt zich met name bezig met internationale vraagstukken op het gebied van vermogensstructurering en estate planning. Daarbij bouwde hij een bijzondere expertise op over financiële en fiscale aspecten bij het tweede huis in het buitenland.

Vrijblijvend van gedachten wisselen met een specialist?

ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus
Logo of ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus