Chat with us, powered by LiveChat

ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus

Wat is de impact van het nieuwe box 3-stelsel? deel 1: beleggingskeuzes

Het kabinet wil het heffingssysteem in box 3 van de inkomstenbelasting opnieuw aanpassen. Om met name spaarders tegemoet te komen. Hier leest u welke gevolgen het voorgestelde systeem in algemene zin zal hebben. Maar wat zijn de gevolgen in specifieke situaties? Is het verstandig om andere beleggingskeuzes te maken? Wat betekent het nieuwe voorstel voor de vastgoedbelegger en de bezitter van een tweede huis in Nederland of in het buitenland? Is financieren van beleggingen met geleend geld straks niet meer interessant? Wat is het effect op familiebankieren en voor ouders die ‘schenken op papier’ aan hun kinderen? Is vluchten naar een spaar-bv de oplossing? In een serie artikelen gaan we op zoek naar de antwoorden. In deel 1 ga ik in op de vraag of het verstandig is om straks andere beleggingskeuzes te gaan maken.

Van fictieve naar werkelijke vermogensmix

In het huidige systeem wordt bij elke belastingplichtige uitgegaan van dezelfde fictieve verdeling van het vermogen in box 3 over de categorieën spaargeld en overige bezittingen. Waarbij in 3 vermogensschijven een andere verhouding tussen deze categorieën wordt gehanteerd. De aanname is nu dat mensen met een relatief beperkt vermogen overwegend sparen. En dat vermogenden het grootste deel van hun vermogen beleggen in andere vermogenscategorieën. Het gemiddelde forfaitaire rendement loopt op naarmate het vermogen in box 3 groter wordt en meer vermogen in hogere schijven valt (tabel 1; fiscaal partners samen dubbele bedragen). Per persoon blijft een heffingsvrij vermogen van €30.846 vrijgesteld. Schulden in box 3 verlagen de grondslag waarover het forfaitaire inkomen volgens de tabel wordt berekend. Een vermogend persoon bespaart in het huidige systeem meer belasting met een schuld dan iemand met een beperkt vermogen.

vermogen in box 3
(na aftrek heffingsvrij vermogen; partners dubbele bedragen)
spaargeld met laag forfaitair rendement overig met hoog forfaitair rendement gewogen gemiddelde rendement 30% IB als % van
vermogen
eerste €72.797 67% x 0,06% 33% x 5,33% 1,80% 0,54%
€72.797 − €1.005.572 21% x 0,06% 79% x 5,33% 4,22% 1,27%
vanaf €1.005.572 0% x 0,06% 100% x 5,33% 5,33% 1,60%

Tabel 1: situatie 2020

 

In het nieuwe stelsel wordt op individueel niveau gekeken naar de werkelijke verdeling van het vermogen over de categorieën spaargeld, overige bezittingen en schulden. Aan spaargeld wordt een forfaitair rendement toegekend van 0,09%, voor overige bezittingen is dat 5,33%. Voor schulden wordt een forfaitaire leenrente van 3,03% daarvan afgetrokken (tabel 2). Hierdoor hebben alle belastingplichtigen in beginsel evenveel fiscaal voordeel van een schuld in box 3, ongeacht de omvang van hun vermogen. Van het (positieve) saldo aan forfaitair inkomen blijft volgens de plannen €400 per persoon vrijgesteld, het zogenaamde heffingvrije inkomen. Het meerdere wordt tegen 33% belast. Nu is dat tarief nog 30%.

 

vermogen in box 3
(als totaal bezittingen boven drempelbedrag € 30.846)
forfaitair rendement / leenrente 33% IB als % van
vermogen
spaargeld 0,09% 0,03%
overige bezittingen 5,33% 1,76%
schulden –3,03% –1,00%

Tabel 2: voorstel 2022

Lasten eerlijker verdeeld

Mensen die vrijwel alleen spaargeld hebben, zullen in het nieuwe stelsel een veel lager forfaitair inkomen hebben. Zij krijgen niet langer een relatief hoog forfaitair rendement aangerekend over beleggingen die ze feitelijk niet hebben. En andersom zullen mensen die vrijwel alleen andere bezittingen dan spaargeld hebben op een hoger forfaitair inkomen uitkomen. Omdat zij niet langer profiteren van het dempende effect van een laag forfaitair rendement over spaargeld dat zij feitelijk niet hebben. In die zin worden de lasten in het nieuwe systeem eerlijker verdeeld.

In de praktijk zal het vermogen in box 3 veelal bestaan uit een mix van spaargeld en andere bezittingen. Spaargeld wordt in het nieuwe systeem nauwelijks belast. En heeft daardoor een dempend effect op de gemiddelde belastingdruk. In onderstaande grafiek is te zien dat fiscaal partners van wie het vermogen voor ongeveer een derde deel uit spaargeld bestaat, in het nieuwe stelsel in de buurt van de huidige box 3-heffing uitkomen. Bij een groter aandeel van spaargeld in de totale vermogensmix dan een derde zullen zij in het nieuwe stelsel minder gaan betalen dan nu. Individuele belastingplichtigen betalen straks al minder dan nu, als hun vermogen voor meer dan ongeveer een kwart uit spaargeld bestaat.

Andere beleggingskeuzes maken?

Door de historisch lage rentestand behaalt een spaarder momenteel niet of nauwelijks rendement. Nu gaat daar ook nog eens 0,54% tot 1,60% box 3-heffing van af. Dat zal na de voorgestelde aanpassingen niet of nauwelijks meer het geval zijn. Over andere bezittingen blijft net als nu een hoger forfaitair rendement gelden. Waardoor de effectieve belastingdruk uitkomt op 1,76% over dit vermogen. Is dit nu een reden om straks andere beleggingskeuzes te gaan maken? En beleggingen te verruilen voor spaargeld? Dat lijkt mij niet erg verstandig. Voorop moet staan dat iemand een portefeuilleverdeling kiest die qua balans tussen risico en rendementsverwachting bij hem of haar past. Fiscaliteit mag nooit de boventoon voeren bij beleggingsbeslissingen! Het gaat immers om het nettorendement ná belasting dat onder de streep overblijft. Een belegging met een relatief hoog rendement waar iets meer belasting van afgaat, zal uiteindelijk per saldo meer opleveren dan een spaarrekening die niet of nauwelijks rente oplevert en waar ook (vrijwel) geen belasting van afgaat.

Inspelen op veranderende behoeften

Anders wordt het als spaargeld voor wat betreft risico en rendementsverwachting een gelijkwaardig alternatief kan zijn voor een belegging waarover in het nieuwe stelsel het hoge forfaitaire rendement geldt. Stel dat bijvoorbeeld een substantieel deel van het vermogen in een mix-fonds in de vorm van liquiditeiten wordt aangehouden. Dan zal in het voorgestelde systeem over de gehele waarde van dat beleggingsfonds het hoge forfaitaire rendement van toepassing zijn. De belastingdruk zou dan lager kunnen zijn door een beleggingsfonds te kiezen waarin geen liquiditeiten worden aangehouden. En het gewenste aandeel van spaargeld in de totale vermogensmix zelf op een spaarrekening aan te houden. Mijn verwachting is dat financiële instellingen met hun producten en diensten zullen inspelen op de veranderende behoeften van particuliere beleggers.

Deel deze pagina

Artikel geschreven door:

Profiel foto van René Bruel
René Bruel DGA en BV, internationale belastingen

René Bruel is werkzaam binnen het Kenniscentrum. Hij houdt zich met name bezig met internationale vraagstukken op het gebied van vermogensstructurering en estate planning. Daarbij bouwde hij een bijzondere expertise op over financiële en fiscale aspecten bij het tweede huis in het buitenland.

Vrijblijvend van gedachten wisselen met een specialist?

ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus
Logo of ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus