In het maatschappelijke debat komt de schenk- en erfbelasting geregeld aan de orde. Bijvoorbeeld om de belastingdruk te verleggen naar vermogen in plaats van inkomen uit arbeid of om vermogensongelijkheid te verkleinen. Of dit goede ideeën zijn, is in hoge mate afhankelijk van uw persoonlijke voorkeuren. Tot voor kort kon een discussie worden afgekapt met: “het kabinet heeft geen voornemens om de schenk- en erfbelasting aan te pakken”. Maar nu gaat er écht iets bewegen: oude regelingen in de huidige wet worden mogelijk geactualiseerd, er zijn verschillende evaluaties en de schenking op papier is toegevoegd aan de lijst ‘opmerkelijke belastingconstructies’. Wat is de stand van zaken?
Een wet uit 1956 in een veranderende wereld
De schenk- en erfbelasting zijn geregeld in de Successiewet 1956. Hoewel er sindsdien kleine wijzigingen zijn geweest, was de laatste grote aanpassing in 2010. Toen werd onder andere het tarief gewijzigd: in de verhouding ouders-kinderen ging het minimumtarief omhoog van 5% naar 10% en het maximumtarief omlaag van 27% naar 20%. Vanuit het huidige perspectief is dat een wonderlijke constatering: kleinere vermogens gingen méér betalen en grote vermogens meer.
Voor de volledigheid: tarieven moeten worden bekeken in samenhang met vrijstellingen, en die zijn toen ook verruimd. Een andere factor zijn maatschappelijke ontwikkelingen en de vraag of en hoe die terug moeten komen in de belastingwetten. In mijn artikel “Wie is uw partner voor de erfbelasting?” leest u verschillende ideeën die zijn geopperd voor de partnervrijstelling.
Verouderde rekenregels: tijd voor aanpassing?
De Successiewet kent voorgeschreven regels om de waarde van bijvoorbeeld een levenslange uitkering te berekenen. Deze regels stammen uit 1980 en de gemiddelde levensverwachting is sindsdien behoorlijk gestegen. Verder geldt er een vaste rekenrente van 6%. Dit percentage geldt ongeacht de actuele rentestand en de looptijd. In een evaluatie kwam men dan ook tot de logische conclusie dat dit niet meer van deze tijd is.
De staatssecretaris van Financiën stemt over het algemeen in met de evaluatie en komt met een voorstel tot modernisering. Het rentepercentage moet beter aansluiten bij de marktrente en up-to-date blijven. Op dit moment zou dat ongeveer 3% zijn. Voor het gemak wordt er één uniforme rente gehanteerd; het afstemmen van het percentage op de verwachte looptijd is te complex. Daarnaast moet ook de levensverwachting actueel blijven.
De gevolgen van wijziging van de Successiewet
De praktische gevolgen zien we met name terug bij langstlevende testamenten en schenkingen op papier:
- Een lagere rente dan de huidige 6%, werkt door in de uitkomst voor de erfbelasting van testamentvormen. Momenteel wordt de vordering van kinderen op de langstlevende ouder geregeld gekoppeld aan 6% rente. In mijn artikel “Een berekening van de erfbelasting” ziet u het mogelijke effect daarvan. Bij 6% samengestelde rente is een vordering na ongeveer 12 jaar verdubbeld en bij 3% rente is dat na ongeveer 23 jaar het geval. In de regel wordt deze mogelijkheid vaker toegepast door mensen met grotere vermogen en aanpassing zou dan ook leiden tot een hogere erfbelasting voor deze groep.
- Bij een schenking op papier is de ‘spelregel’ dat er 6% rente moet worden betaald. Dat is feitelijk een extra vermogensoverheveling waarover geen schenk- of erfbelasting wordt betaald. Een verlaging van de rente naar 3% beperkt deze extra vermogensoverheveling. Maar, er kunnen gedragseffecten optreden. Wellicht gaan mensen meer of sneller een schenking op papier doen.
De inschatting is dat deze maatregelen leiden tot extra belastinginkomsten van ongeveer € 200 miljoen per jaar.
Een belangrijk punt is dat de wijzigingen alleen gaan gelden voor nieuwe gevallen. Gedacht wordt aan een invoeringsdatum van 1 januari 2028. Dan krijgen alleen overlijdens of schenkingen op papier na die datum te maken met de nieuwe regels. Dit houdt het overzichtelijk en is dan ook een nette oplossing.
De bal licht bij het kabinet om deze voorstellen te vertalen in een wetsvoorstel, dat wellicht nog in 2026 kan worden ingediend. Invoering per 1 januari 2028 is dan mogelijk.
Wat gebeurt er met de tarieven en vrijstellingen?
Een nieuw wetsvoorstel zet de schenk- en erfbelasting op de politieke agenda. Het lijkt logisch dat politieke partijen het breder trekken dan de huidige voorstellen. Laten zij ook hun oog vallen op de ‘kroonjuwelen’ van de schenk- en erfbelasting, de tarieven en vrijstellingen? Klein onderhoud kan dan uitmonden in een grote renovatie.
De eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling; volgende patiënt?
Ook de schenkbelasting kent ‘antieke’ regelingen. De schenkbelasting kent sinds 1981 een eenmalig verhoogde vrijstelling voor een schenking van ouders aan kinderen. In 2026 bedraagt de vrijstelling € 33.129. De oorspronkelijke gedachte was dat kinderen in de leeftijd 18 – 35 jaar met een kostenpiek te maken krijgen voor bijvoorbeeld het zelfstandig worden, een huwelijk, het starten of overnemen van een bedrijf, de aankoop van een woning en de kosten van het inrichten van een woning. De vrijstelling biedt ouders de mogelijkheid hun kinderen zonder schenkbelasting een flinke financiële duw in de rug te geven.
Uit een evaluatie van deze vrijstelling komt deze gedachte niet zo naar voren. Het schenkingsbedrag is vaak gelijk aan de vrijstelling en de piek in de leeftijd van de verkrijgers is 39 jaar (de huidige maximale leeftijd). Dat roept de vraag op of deze vrijstelling nog wel zijn oorspronkelijke doel dient.
Dat kan ook worden afgevraagd van de extra verhoogde schenkingsvrijstelling voor een dure studie (€ 69.009 in 2026). In de periode 2019 – 2022 is minder dan 10 keer per jaar aangifte gedaan van deze schenking. Het lijkt logisch deze vrijstelling te schrappen en zo het wetboek een beetje dunner te maken.
Door naar de jaarlijkse schenkingsvrijstelling
Inmiddels is er ook een evaluatie verschenen van de jaarlijkse schenkingsvrijstelling. Het gaat om de vrijstelling van € 6.908 voor kinderen en € 2.769 voor anderen. Die staat al vanaf 1917 in de wet en uit de evaluatie blijkt dat de doelstellingen die destijds zijn geformuleerd nu niet optimaal uit de verf komen. Een nieuw punt dus voor op de politieke agenda.
Of dat ook een wijziging van de regeling gaat inhouden, valt te bezien. De Telegraaf deed een belronde langs politieke partijen en bijna alle partijen gaven aan tegenstander te zijn van een aanpassing (bron). Een dag later bleek 94% van de lezers op die lijn te zitten (bron).
Schenken op papier; een opmerkelijke belastingconstructie?
De meest recente ontwikkeling is dat de schenking op papier is toegevoegd aan de lijst opmerkelijke belastingconstructies. Dat is wat curieus. Schenkingen op papier vinden al vele tientallen jaren plaats en kan het dan nog wel ‘opmerkelijk’ zijn? Hoe dan ook, de schenking op papier staat op de lijst. Naast het verlagen van de rente van 3% wordt als oplossing genoemd, het voor de berekening van de erfbelasting negeren van de schuld. De schenkingen leiden dan niet tot een lagere erfbelasting, wat wel de opzet was van de schenkers.
Een paar gedachten hierbij:
- De familielening stond ook een tijd op de lijst opmerkelijke belastingconstructies en is na een aantal verduidelijkingen van de fiscale gevolgen ook weer van de lijst verdwenen. Op de lijst komen, hoeft dus niet fataal te zijn.
- Er is nu veel onzekerheid over de toekomst van schenkingen op papier en het is mooi als dat niet te lang voortduurt. Hopelijk komt er bijvoorbeeld met Prinsjesdag duidelijkheid.
- Fiscale gevolgen wijzigen voor nieuwe schenkingen vanaf een bepaalde datum, is de chique oplossing. In het verleden is dat niet gebeurd bij overdrachten van de woning aan kinderen met vruchtgebruik voor ouders. Dat leidde tot veel onbegrip en gedoe. Zie u hiervoor ons artikel “Is een zelf bewoond huis schenken aan de kinderen nog voordelig? - Financial Focus”. Hopelijk kiest het kabinet voor de chique oplossing.
Een link met box 3
Tot slot bestaat er een verband met box 3. Het kabinet gaat waarschijnlijk de regeling voor box 3 die per 2028 gaat gelden op enkele punten aanpassen. Zo wordt gesproken over een achterwaartse verliesverrekening. Zulke veranderingen leiden waarschijnlijk tot minder belastingopbrengsten dan oorspronkelijk begroot. In Den Haag is het gebruikelijk om dan op zoek te gaan naar nieuwe inkomstenbronnen. Omdat de schenk- en erfbelasting net als box 3 tot het 'domein vermogen' horen, zou men tekorten in box 3 kunnen compenseren met hogere tarieven voor schenk- en erfbelasting. We moeten afwachten hoe zich dit verder ontwikkelt.