De overstap naar een vermogenswinstbelasting lijkt dichterbij te komen. Dat is goed nieuws voor wie vindt dat belasting pas moet worden geheven over een vermogenswinst als die winst daadwerkelijk is gerealiseerd. Maar die keuze heeft een prijs. In de eerste jaren ontvangt de schatkist minder belasting. Het kabinet zoekt de dekking onder meer bij spaarders, beleggers en dga's. Daarmee wordt de politieke vraag minstens zo interessant als de fiscale: wie gaat deze rekening uiteindelijk betalen?
Wie betaalt de rekening voor de nieuwe box 3?
Het kabinet wil vanaf 1 januari 2028 versneld overstappen op een vermogenswinstbelasting voor (met name) beursgenoteerde beleggingen. Daarmee zou een groot deel van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder een vermogenswinstbelasting komen. Voor crypto’s en buitenlandse valuta’s is een latere overstap voorzien.
Dat betekent een belangrijke koerswijziging ten opzichte van het wetsvoorstel dat eerder door de Tweede Kamer is aangenomen. Dat voorstel ging juist in belangrijke mate uit van een vermogensaanwasbelasting. De Tweede Kamer nam de Wet werkelijk rendement box 3 aan; de verdere parlementaire behandeling is blijven steken in de Eerste Kamer. Nu komt het kabinet met een nieuw voorstel.
Vermogensaanwas en vermogenswinst: wat is het verschil?
Eerst nog even het verschil tussen belastingheffing op basis van vermogensaanwas en vermogenswinst op een rij.
Stel dat iemand op 1 januari voor € 100.000 aandelen heeft en die aandelen aan het einde van het jaar € 110.000 waard zijn.
Bij een vermogensaanwasbelasting wordt de waardestijging van € 10.000 in dat jaar belast. Dat gebeurt dus ook als de belegger zijn aandelen niet heeft verkocht en de € 10.000 uitsluitend een winst ‘op papier’ is.
Bij een vermogenswinstbelasting vindt belastingheffing over die € 10.000 in beginsel pas plaats wanneer de belegger de aandelen verkoopt en de winst realiseert.
Onder het oorspronkelijke wetsvoorstel zou de waardeontwikkeling van bijvoorbeeld aandelen in principe jaarlijks worden belast. Voor onder meer onroerende zaken was juist een vermogenswinstbelasting voorzien.
Een vermogenswinstbelasting heeft voor belastingplichtigen een aansprekend voordeel: geen belasting over een winst waarvoor nog geen euro aan liquide middelen is ontvangen.
Er is echter een keerzijde voor de overheid. Als beleggers hun aandelen lang vasthouden, wordt ook de belastingheffing uitgesteld. Dat zorgt bij de overgang naar zo'n systeem voor lagere belastingopbrengsten in de eerste jaren. En daarmee ontstaat het politieke probleem dat nu op tafel ligt: wie betaalt de rekening van een fiscaal stelsel dat op termijn misschien logischer is, maar op korte termijn minder geld opbrengt?
De rekening blijft niet beperkt tot de grote vermogens
Het bijzondere aan het voorgestelde dekkingspakket is dat de rekening niet alleen bij zeer vermogende Nederlanders terechtkomt.
Voor 2027 wordt voorgesteld het heffingsvrije vermogen in box 3 terug te brengen naar € 30.846 per persoon. Het heffingsvrije vermogen bedraagt in 2026 € 59.357 per persoon. Vanaf 2028 zou in het nieuwe stelsel bovendien een heffingsvrij resultaat van € 1.000 gelden. Hiervoor was het uitgangspunt een heffingsvrij resultaat van € 1.800. Bij een spaarrente van 2% correspondeert € 1.000 rendement met € 50.000 spaargeld.
Dat roept een politieke vraag op. Wanneer ben je in Nederland eigenlijk vermogend? Wie € 50.000 opzij heeft gezet, zal zichzelf niet zonder meer tot de vermogende bovenlaag rekenen. Fiscaal komt die spaarder echter wel nadrukkelijk in beeld.
Een vergelijkbare vraag doet zich voor bij particuliere beleggers. Bij een relatief beperkt aandelenvermogen kan in een goed beursjaar al snel meer dan € 1.000 rendement worden gemaakt. Wie enerzijds wil dat Nederlanders zelf vermogen en aanvullend pensioen opbouwen, maar anderzijds de belastingvrije rendementsruimte sterk beperkt, geeft op zijn minst gemengde signalen af.
Vastgoed krijgt in 2027 een extra tik
Voor bezitters van vastgoed is 2027 mogelijk extra onaantrekkelijk. Het voorgestelde forfait voor overige bezittingen wordt met 1,5 procentpunt verhoogd. Uitgaande van 6,37% vóór die verhoging komt het forfait daarmee uit op 7,87%. Bij een tarief van 36% vertegenwoordigt dat een belastingdruk van ongeveer 2,83% over de belaste grondslag.
Op het eerste gezicht lijkt daarvoor een uitweg te bestaan: de tegenbewijsregeling. Wie kan aantonen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kan onder voorwaarden dat lagere rendement gebruiken.
Maar juist bij vastgoed komt die tegenbewijsregeling niet altijd goed uit de verf.
Waarom tegenbewijs bij vastgoed lang niet altijd helpt
Dat heeft vooral te maken met wat voor de tegenbewijsregeling onder ‘werkelijk rendement’ wordt verstaan.
Ten eerste tellen ook ongerealiseerde waardestijgingen mee. Een pand hoeft dus niet te zijn verkocht. Een stijging van de waarde kan al tot het werkelijke rendement behoren.
Ten tweede komen bij de huidige tegenbewijsregeling kosten niet in aftrek op het rendement. Dat is bij vastgoed een belangrijk punt. Een verhuurder kan onderhouds-, beheer- en andere kosten hebben die zijn economische rendement aanzienlijk drukken, terwijl die kosten het fiscale ‘werkelijke rendement’ niet overeenkomstig verlagen. Rentelasten op box 3-schulden komen overigens wel in aftrek.
Daar komt inmiddels nog een derde element bij. Voor het eigen gebruik van onroerende zaken is de behandeling veranderd. Voor 2026 en 2027 is een regeling voor eigen gebruik geïntroduceerd, waardoor bij toepassing van de tegenbewijsregeling ook een voordeel wegens eigen gebruik een rol kan spelen. Een voordeel van 5,06% van de WOZ-waarde is het uitgangspunt. Samen met een kleine waardestijging kan het werkelijke rendement dan al uitkomen boven het fictieve rendement.
Voor aandelenbeleggers ligt dat anders. Vallen de beursresultaten tegen, dan kan de tegenbewijsregeling veel directer bescherming bieden tegen een hoog forfait. Daardoor treft een verhoging van het forfait hen uiteindelijk alleen als hun volgens de wettelijke regels berekende werkelijke rendement eveneens hoog genoeg is.
Ook box 2 wordt ingezet
De dekking wordt verder deels gevonden bij dga's.
Het kabinet stelt voor het hoge box 2-tarief gedurende vier jaar te verlagen van 31% naar 29,2%. De gedachte is dat dga's daardoor eerder winst uit hun bv als dividend naar privé zullen halen, waardoor belastingontvangsten naar voren worden gehaald.
Tegelijkertijd wordt voorgesteld de grens voor excessief lenen bij de eigen bv vanaf 2027 in vijf jaarlijkse stappen van € 80.000 terug te brengen van € 500.000 naar uiteindelijk € 100.000. Eigenwoningschulden die aan de voorwaarden voldoen zijn uitgezonderd.
Voor dga's met een hoge schuld aan hun bv betekent dit uiteindelijk steeds dezelfde rekensom: aflossen, dividend uitkeren om de lening terug te brengen, of de lening laten bestaan en de box 2-heffing accepteren.
Er is overigens enige nuance nodig bij de veelgehoorde boodschap dat hiermee ‘de ondernemer’ de rekening betaalt. De maatregelen grijpen primair aan bij vermogen en financiële verhoudingen tussen de dga en zijn bv. Dat is niet hetzelfde als een hogere belasting op de winst uit de dagelijkse ondernemingsactiviteit van de werkende ondernemer.
En wat doet de belastingbetaler zelf?
Belastingen sturen gedrag. Bij de vliegbelasting of de suikerbelasting worden nadrukkelijk gedagseffecten beoogd. Wat is het effect van het zwaarder belasten van arbeid? Gaat men minder werken of slaan zij extra uren af? Of heeft men een extra reden om te mopperen op het werk bij de koffieautomaat, om vervolgens weer aan de slag te gaan?
Deze vragen kunnen we ook stellen bij het zwaarder belasten van vermogen. In welke mate beïnvloedt dat sparen, beleggen en de keuze waar vermogen wordt aangehouden?
Het CPB probeert effecten in beeld te brengen, maar steeds geldt de disclaimer ‘de omvang van het gedragseffect is vaak lastig precies te bepalen’. Juist daarin zit het dilemma voor de politiek: de budgettaire opbrengst van een maatregel kan vrij precies worden ingeboekt, terwijl gedragseffecten veel moeilijker vooraf zijn te kwantificeren.
Een politiek compromis in wording
Wie uitzoomt, ziet de opbrengst van box 3 ongeveer verdubbelen ten opzichte van de huidige situatie. Maar in een eerdere fase is de opbrengst in de begroting gekomen van een wet die nog moest worden ingediend. En hoewel bleek dat die wet niet op voldoende steun kon rekenen, was de opbrengst al ingeboekt. Zo zijn we in de situatie beland dat ingrijpende dekkingsmaatregelen moeten worden getroffen.
De overstap naar een vermogenswinstbelasting kost op korte termijn dus geld. Het kabinet wil voorkomen dat die rekening uitsluitend bij werkenden terechtkomt en zoekt daarom dekking binnen box 3 en box 2. Daarmee wordt een principiële keuze voor een ander belastingstelsel gekoppeld aan een pakket maatregelen dat spaarders, beleggers, vastgoedbezitters en dga’s ieder op een andere manier raakt. Of voor die combinatie voldoende steun bestaat in beide Kamers, is uiteindelijk niet alleen een fiscale, maar vooral een politieke vraag.
De discussie over de nieuwe box 3 gaat daarmee allang niet meer alleen over de vraag hoe vermogen moet worden belast, maar minstens zozeer over wie de overgang naar dat nieuwe stelsel mag betalen.