Direct naar content

Privébeleggingen worden in principe belast in box 3 op basis van een forfaitair rendement. Ongeacht het werkelijk behaalde rendement. Als beleggingen in een BV (of soortgelijke entiteit) zitten, wordt wél het werkelijke rendement belast. Normaliter pas op het moment dat winst of verlies is gerealiseerd. Maar door de verplichte waardering van veel beleggingsfondsen tegen de werkelijke waarde, is in de praktijk vaak sprake van winst- of verliesneming van jaar tot jaar. Ook al heeft geen verkoop met winst of verlies plaatsgevonden. Hoe zit dat precies?

Beleggen als privépersoon

Forfaitaire heffing box 3

Wie fiscaal inwoner van Nederland is en als privépersoon beleggingen bezit, moet deze in de aangifte inkomstenbelasting in box 3 verantwoorden. In box 3 wordt niet het werkelijk behaalde beleggingsrendement belast. Maar wordt een forfaitair inkomen berekend over de waarde per 1 januari van het belastingjaar. Het forfaitaire rendement neemt daarbij toe voor zover het vermogen – belastbare bezittingen minus schulden – in een hogere vermogensschijf terechtkomt. De eerste € 30.846 per persoon – het zogenaamde heffingvrije vermogen – is daarbij vrijgesteld. Over het forfaitair bepaalde inkomen is vervolgens 30% inkomstenbelasting verschuldigd. De effectieve belasting, uitgedrukt als percentage van het vermogen, kan zo oplopen tot 1,58% (zie tabel; cijfers 2020).

Box 3-vermogen van minderjarige kinderen wordt belast bij de ouders. Fiscaal partners mogen hun gezamenlijke vermogenssaldo in een vrij te kiezen verhouding tussen elkaar verdelen in de belastingaangifte. Zo kunnen zij beiden profiteren van het heffingvrije vermogen en gebruikmaken van de progressie in het forfaitaire rendement.

vermogen in box 3 forfaitair rendement IB als % van vermogen
eerste € 30.846 vrijgesteld
(partners: € 61.692)
- -
€ 30.846 − € 103.643
(partners: € 61.692 − € 207.286)
1,7893% 0,54%
€ 103.643 − € 1.036.418
(partners: € 207.286 − € 2.072.836)
4,1859% 1,26%
vanaf € 1.036.418
(partners: € 2.072.836)
5,2800% 1,58%

Beperkte fiscale voordelen

In box 3 is er één categorie beleggingen waarvoor een specifieke vrijstelling geldt. Dat zijn beleggingen die als ‘groene beleggingen’ worden aangemerkt. Dit zijn door de overheid aangewezen groene fondsen. Groene fondsen zijn zeer schaars. Het aanbod en de praktische verhandelbaarheid van groene fondsen is zeer beperkt.

De waarde van ‘groene beleggingen’ wordt niet tot de bezittingen in box 3 gerekend tot een bedrag van maximaal € 59.477. Fiscaal partners kunnen gezamenlijk van een vrijstelling van € 118.954 profiteren (cijfers 2020). De hierover te besparen box 3-heffing is afhankelijk van het totale box 3-vermogen en kan oplopen tot maximaal 1,58%. Daarnaast krijgt een belastingplichtige met ‘groene beleggingen’ een heffingskorting – een korting op de in totaal verschuldigde inkomstenbelasting – van 0,7% over de in box 3 vrijgestelde waarde. Waardoor het totale fiscale voordeel kan oplopen tot maximaal 2,28% over de vrijgestelde waarde.

Toekomst van box 3

Al langere tijd bestaat veel onvrede over het feit dat men in box 3 belasting moet betalen over een relatief hoog forfaitair rendement, dat met name door spaarders door de extreem lage rentestand in de praktijk niet behaald kan worden. De vorige staatssecretaris van Financiën, Snel, presenteerde in september 2019 een plan waardoor mensen met vooral of uitsluitend spaargeld er flink op vooruit zouden gaan. Maar mensen met andere bezittingen dan spaargeld zouden er juist op achteruit gaan. Vooral voor kleinere beleggers en mensen met laag renderende andere bezittingen zou het plan zeer nadelig uitpakken. Inmiddels heeft de huidige staatssecretaris Vijlbrief in de ‘Kamerbrief stand van zaken aanpassing box 3’ aangegeven dat hij het plan van zijn ambtsvoorganger niet als zodanig zal indienen. En op zoek gaat naar andere oplossingen.

De regering zal onderzoeken welke mogelijkheden er op de langere termijn zijn voor een hervorming van het box 3-stelsel. Uitgangspunt daarbij zijn de beleidsopties die in het rapport ‘Bouwstenen voor een beter belastingstelsel’ zijn gepresenteerd. Zoals een progressief tarief, een vermogensbelasting en het belasten van het reële rendement.

Om een groot deel van de spaarders en de relatief kleine beleggers toch alvast op korte termijn tegemoet te kunnen komen, wordt daarnaast gekeken naar aanpassingen binnen het huidige stelsel. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het verhogen van het heffingvrije vermogen. Vijlbrief streeft ernaar om op Prinsjesdag 2020 een concreet wetsvoorstel in te dienen.

Beleggen binnen een BV

Werkelijk voordeel belast

Anders dan bij belegging als privépersoon, worden binnen een BV vroeg of laat alle voordelen uit beleggingen belast met vennootschapsbelasting (vpb). Er geldt een ‘laag tarief’ van 16,5% over de belastbare winst tot € 200.000. En een ‘hoog tarief’ van 25% over de het meerdere. Per 2021 dalen deze tarieven naar respectievelijk 15% en 21,7%. Al staat de daling van het hoge tarief naar 21,7% ter discussie.

Als aanmerkelijkbelanghouder (normaliter 5% of meer) in een BV betaalt men over de winst na vennootschapsbelasting later nog inkomstenbelasting (IB) in box 2. Bijvoorbeeld bij verkoop van de BV of als de BV dividend uitkeert. Het tarief in box 2 bedraagt 26,25% en stijgt per 2021 naar 26,9%. Per saldo daalt de gecombineerde belastingdruk – eerst vpb en later IB box 2 over de winst na vpb – enigszins.

jaar vpb laag vpb hoog IB box 2 gecombineerd laag gecombineerd hoog
2020 16,50% 25,00% 26,25% 38,42% 44,69%
2021 15,00% 21,70% 26,90% 37,87% 42,76%

Waardering van beleggingen op de balans

Volgens de regels van goed koopmansgebruik worden effectenbeleggingen, zoals aandelen en dergelijke, in de jaarrekening van een BV als hoofdregel gewaardeerd tegen de historische aanschafwaarde dan wel de lagere beurswaarde. Op die manier wordt bij per saldo stijgende koersen (boven de aankoopprijs) winstneming – en dus belastingheffing – uitgesteld tot het moment waarop de effecten worden verkocht. Maar daalt de beurkoers beneden de historische aanschafwaarde? Dan wordt de boekwaarde afgewaardeerd naar de lagere actuele waarde en wordt direct verlies genomen. Dat verlies drukt op dat moment de winst. Wanneer de beurskoers later weer stijgt, wordt de boekwaarde weer verhoogd – maar niet verder dan tot de historische aanschafwaarde – wat de winst op dat moment verhoogt. Het eerdere fiscale verlies wordt dan feitelijk weer teruggenomen.

Belangrijke uitzondering op de hoofdregel

Op de hoofdregel bestaat sinds 1 augustus 2007 een belangrijke uitzondering. Sindsdien staat in de belastingwet een bepaling die stelt dat ieder belang in een zogenaamde ‘vrijgestelde beleggingsinstelling’ (VBI) steeds tegen de waarde in het economische verkeer – de actuele waarde dus – moet worden gewaardeerd. Deze waarderingsregel is van overeenkomstige toepassing op belangen in niet in Nederland gevestigde beleggingsinstellingen die net als een VBI beleggen in ‘financiële instrumenten’, niet zijn onderworpen aan een belastingheffing naar de winst en ook niet verplicht zijn hun winst jaarlijks uit te keren om voor belastingvrijstelling in aanmerking te komen.

In de praktijk voldoet het leeuwendeel van de – veelal in Luxemburg of Ierland gevestigde – beleggingsfondsen voor het grote publiek aan deze kenmerken. En moet een BV die in dergelijke beleggingsfondsen belegt dus ook aan de verplichte waarderingsregel voldoen. Uitstel van winstneming ingeval van waardestijging boven de historische aankoopwaarde is dan dus niet aan de orde. Bij stijgende koersen wordt direct winst genomen. En bij dalende koersen wordt direct verlies genomen. Ook al vindt geen verkooptransactie plaats.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.