Den Haag zoekt naarstig naar miljarden om vanaf 2028 een ruimere toepassing van de vermogenswinstbelasting mogelijk te maken: pas belasting betalen wanneer een waardestijging daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Een aantal fundamentele ontwerpvragen zijn daarbij naar onze smaak nog onderbelicht gebleven.
Een vermogenswinstbelasting is voor beleggers een logisch uitgangspunt
Wie een aandeel nog niet heeft verkocht, heeft de koerswinst immers alleen op papier. Die winst kan morgen weer zijn verdwenen. Belasting betalen na verkoop voelt daarom voor veel mensen eerlijker dan jaarlijks afrekenen over een ongerealiseerde waardestijging.
Maar aan dat aantrekkelijke uitgangspunt zit voor de overheid een lastige keerzijde. Wanneer belasting pas wordt geheven bij realisatie, krijgt de belastingplichtige invloed op het moment waarop de belasting verschuldigd wordt. Dat maakt de inrichting van het stelsel bepalend voor de opbrengst, de uitvoerbaarheid én de verdeling van de belastingdruk.
Het belang van de realisatietermijn
Bij de budgettaire beoordeling van een vermogenswinstbelasting is de gemiddelde termijn tussen aankoop en verkoop van beleggingen van groot belang. Hoe langer beleggers hun beleggingen vasthouden, hoe later de belastingopbrengst binnenkomt.
In ramingen wordt uitgegaan van de veronderstelling dat een aandelenbelegging gemiddeld eens per 4,5 jaar wordt verkocht. Het is de vraag of dat een reëel uitgangspunt is.
Stel dat beleggers niet na gemiddeld 4,5 jaar verkopen, maar pas na tien, twintig of zelfs dertig jaar. Dan ontvangt de overheid de belasting veel later. De overgang naar een vermogenswinstbelasting veroorzaakt in de eerste jaren dan mogelijk een groter budgettair tekort dan bij een kortere realisatietermijn.
Immers, beleggers kunnen het moment waarop winst wordt gerealiseerd beïnvloeden.
Wat als er helemaal niet wordt verkocht?
Neem een particuliere belegger die rechtstreeks aandelen in twintig ondernemingen bezit. Onder een vermogenswinstbelasting realiseert deze belegger in beginsel winst zodra hij een aandeel met winst verkoopt. Wie regelmatig handelt, zal dus ook regelmatig fiscale winsten en verliezen realiseren.
Vergelijk dat met iemand die via een beleggingsfonds of ETF belegt. Deze belegger bezit niet rechtstreeks de onderliggende aandelen, maar een participatie in het fonds.
Binnen dat fonds kunnen voortdurend aandelen worden gekocht en verkocht. De samenstelling van de portefeuille kan volledig veranderen en het vermogen van de belegger kan sterk groeien. De belegger zelf heeft zijn participatie echter niet verkocht.
Daarmee ontstaat een belangrijke ontwerpvraag: geldt alleen de verkoop van de participatie door de belegger als fiscaal realisatiemoment, of wordt op een andere manier rekening gehouden met transacties binnen het fonds?
Verschil economische en fiscale werkelijkheid
Als uitsluitend de verkoop van de participatie telt, kunnen de economische werkelijkheid en het fiscale realisatiemoment langdurig uit elkaar lopen. Niet omdat er binnen de belegging niets gebeurt, maar omdat de belegger juridisch hetzelfde vermogensbestanddeel blijft houden. Dit verschil kan vanaf 2028 rechtstreeks doorwerken in de productkeuze.
Dat geldt ook voor een belegger die dividend ontvangt en daarmee jaarlijks inkomen realiseert. Bij een vergelijkbaar accumulerend groeifonds blijft het rendement in het fonds en stijgt de waarde van de participatie. Als pas bij verkoop van die participatie wordt afgerekend, ontstaat een prikkel om uitkerende aandelen en fondsen te vervangen door niet-uitkerende varianten.
Een vergelijkbare prikkel kan bij spaargeld ontstaan. Spaarders met grote tegoeden kunnen zoeken naar producten die renteachtige opbrengsten niet jaarlijks uitkeren, maar in de waarde laten aangroeien, waardoor pas bij realisatie belasting hoeft te worden betaald.
Zonder neutraliserende regels kunnen beleggers en spaarders hun portefeuille herschikken. Economisch vergelijkbaar rendement wordt dan mogelijk verschillend belast, uitsluitend doordat het wordt uitgekeerd of binnen een product wordt opgepot.
Dit hoeft geen onoplosbaar probleem te zijn. De wetgever kan bijvoorbeeld kiezen voor een doorkijkregeling, een voorheffing of gerichte anti-uitstelbepalingen. Maar zolang de precieze uitwerking daarvan niet bekend is, kan niet zonder meer worden aangenomen dat beleggers gemiddeld binnen enkele jaren fiscaal zullen afrekenen.
De juridische verpakking mag niet bepalend worden
Moet de actieve belegger in ons voorbeeld zijn aandelen verkopen en een beleggingsfonds nemen om het realiseren van winst uit te stellen? Er zijn meer mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan certificering via een stichting administratiekantoor, een STAK. De stichting houdt de beleggingen en de belegger bezit certificaten. Binnen de stichting kunnen beleggingen worden verkocht en vervangen, terwijl de belegger zijn certificaten behoudt. Dit kan dezelfde situatie opleveren als bij een beleggingsfonds.
Het punt is dat economisch vergelijkbare beleggingen door hun juridische verpakking een wezenlijk andere belastingdruk krijgen.
‘Fiscale engineering’
Wanneer een stelsel langdurig belastinguitstel mogelijk maakt door beleggingen anders te structureren, ontstaat ruimte voor fiscale engineering. Vermogende beleggers hebben doorgaans meer mogelijkheden om gespecialiseerde adviseurs en structuren in te zetten dan kleine particuliere beleggers.
Dat raakt niet alleen de belastingopbrengst. Het roept ook vragen op over de neutraliteit van het stelsel en over de verdeling van de lasten tussen verschillende groepen beleggers.
Doorwerking naar heffingskortingen en toeslagen
De keuze tussen uitkeren en oppotten kan ook buiten box 3 gevolgen hebben. Gerealiseerd box 3-inkomen verhoogt het verzamelinkomen en kan daardoor inkomensafhankelijke heffingskortingen en regelingen verminderen.
Wie uitkeringen kan vermijden door voor een groeifonds te kiezen, kan niet alleen box 3-heffing uitstellen, maar mogelijk ook de afbouw van inkomensafhankelijke regelingen uitstellen of
beperken. Dat zet de gedachte dat de hoogste inkomens ook meer belasting betalen onder druk.
Weten we hoe groot het budgettaire gat werkelijk is?
Een overgang naar een vermogenswinstbelasting leidt in de eerste jaren tot lagere opbrengsten, omdat de belastingheffing wordt verschoven naar het moment van realisatie. Daarvoor moet budgettaire dekking worden gevonden.
Maar voordat op zoek wordt gegaan naar miljarden, moet voldoende duidelijk zijn hoe groot het tijdelijke tekort werkelijk kan worden.
Als de raming uitgaat van een gemiddelde realisatietermijn van 4,5 jaar, terwijl beleggers hun fiscale realisatiemoment veel langer kunnen uitstellen, schuift de opbrengst verder naar de toekomst. Als de juridische verpakking van de belegging daarop invloed heeft, wordt het moeilijker om het realisatiegedrag betrouwbaar te ramen. Historische verkoop- en uitkeringspatronen zijn daardoor minder representatief.
Is 1 januari 2028 haalbaar én verstandig?
Na jaren van rechterlijke uitspraken, hersteloperaties, wetsvoorstellen en politieke discussies is de wens om eindelijk tot een bestendig box 3-stelsel te komen begrijpelijk. Belastingplichtigen, adviseurs en de Belastingdienst hebben behoefte aan duidelijkheid.
Toch mag het halen van een invoeringsdatum geen doel op zich worden.
Een brede vermogenswinstbelasting kan een verdedigbare keuze zijn. Maar dan moeten vooraf in ieder geval de volgende vragen worden beantwoord:
- Wat geldt precies als realisatie?
- Hoe wordt voorkomen dat economisch vergelijkbare beleggingen door hun juridische vorm verschillend worden belast?
- Hoe worden beleggingsfondsen en ETF’s behandeld?
- Hoe worden uitkerende en accumulerende producten fiscaal gelijkwaardig behandeld?
- Welke regels gelden voor certificaten, STAK’s en andere structuren?
- Hoe kan langdurig belastinguitstel worden begrensd?
- Welke gevolgen heeft het nieuwe inkomen voor toeslagen en heffingskortingen?
Een mogelijke tussenoplossing
Er zijn ook varianten denkbaar die het voordeel van langdurig uitstel verkleinen. Econoom Bas Jacobs heeft bijvoorbeeld voorgesteld een vermogenswinstbelasting te combineren met een jaarlijkse vermogenswinstvoorheffing. De jaarlijks betaalde voorheffing wordt dan bij de uiteindelijke realisatie met de definitieve belasting verrekend. Zie de toelichting op de vermogenswinstvoorheffing.
Zo’n voorheffing kan voorkomen dat belastingheffing tientallen jaren volledig wordt uitgesteld. Tegelijkertijd vraagt ook deze variant om zorgvuldige uitwerking. Zo zijn er bijvoorbeeld regels nodig voor waardedalingen en verliesverrekening maar ook voor situaties waarin een belastingplichtige onvoldoende liquide middelen heeft.
Het is dus geen eenvoudige oplossing, maar wel een variant die serieuze studie verdient.
Conclusie: niet alles wat goed is, komt snel
Een vermogenswinstbelasting heeft een aantrekkelijk en begrijpelijk uitgangspunt: belasting betalen wanneer de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Maar juist dat realisatiemoment maakt het stelsel gevoelig voor uitstel, gedragsverandering, juridische structurering en emigratie.
Daarom zien we in feite twee verdedigbare routes.
De eerste route is accepteren dat 1 januari 2028 niet onder alle omstandigheden heilig kan zijn. Als de fundamentele ontwerpvragen niet tijdig en overtuigend kunnen worden beantwoord, is het verstandiger meer tijd te nemen voor een samenhangend en bestendig stelsel.
De tweede route is in 2028 beginnen met een stelsel waarvan wordt erkend dat het een tussenstap is. In dat geval moet vanaf het begin duidelijk zijn welke onderdelen tijdelijk zijn, welke risico’s worden aanvaard en welke fundamentele verbeteringen op korte termijn moeten volgen.
Geen van beide routes is ideaal. Maar zij zijn eerlijker dan een definitief stelsel invoeren terwijl onvoldoende duidelijk is wie wanneer belasting betaalt, welke mogelijkheden voor uitstel ontstaan en hoe groot het budgettaire tekort werkelijk kan worden.
Ik schreef dit artikel met mijn collega Peter Beets.