Na jaren van discussie en uitstel is in mei 2023 de knoop doorgehakt: Nederland krijgt een nieuw pensioenstelsel. Wat deze stelselwijziging betekent, leest u in onze blog ‘Van zekerheid naar flexibiliteit: het pensioenstelsel in transitie’. Maar daarmee is een nieuwe, minstens zo belangrijke vraag ontstaan: wat gebeurt er met de pensioenen die al zijn opgebouwd?
Het omzetten van bestaande pensioenaanspraken naar het nieuwe stelsel heet invaren. In ons vorige blog hebben wij uitgelegd hoe dit proces werkt. Eén factor is daarbij doorslaggevend: de dekkingsgraad op het moment van overgang. En juist die staat onder invloed van ontwikkelingen die niemand volledig kan voorspellen. In 2026 leven we in een wereld van politieke en economische onzekerheid. Internationale spanningen, zoals in het Midden‑Oosten, kunnen financiële markten plotseling doen kantelen. Dalende beleggingswaarden en renteveranderingen kunnen de dekkingsgraad onder druk zetten — en daarmee directe gevolgen hebben voor het moment en de uitkomst van het invaren van pensioenrechten. Wat betekent dit in de praktijk? En waarom is het juiste timing zo belangrijk? Dat leest u hieronder.
Een korte terugblik
Ruim een jaar geleden stond de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel volop in de politieke schijnwerpers. In de Tweede Kamer werd uitgebreid gesproken over dit onderwerp maar uiteindelijk bleef het ingezette transitieproces ongewijzigd doorgaan. In ons eerdere artikel ‘Overgang naar nieuw pensioenstelsel in volle gang’ gingen wij in op de eerste ervaringen van zes, relatief kleinere pensioenfondsen die per 1 januari 2025 zijn overgestapt naar het nieuwe stelsel.
De volgende ronde
Per 1 januari 2026 maakte een grotere groep van 24 pensioenfondsen de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Tot deze groep behoorden ook enkele grotere fondsen, waaronder Pensioenfonds Zorg en Welzijn en Bouw en Metaal & Techniek (PMT). Daarmee nam de stelselwijziging in omvang toe en werd de impact ervan voor een bredere groep deelnemers zichtbaarder.
Wat zijn de ervaringen tot nu toe
In ons eerdere blog gaven wij al aan dat de hoogte van de dekkingsgraad op het moment van transitie van groot belang is. Die uitgangspositie bleek voor vrijwel alle fondsen gunstig. Dankzij sterke beleggingsresultaten en een relatief gunstige renteontwikkeling waren de dekkingsgraden breed verbeterd.
Bij de overgang naar het nieuwe stelsel moest per pensioenfonds worden bepaald hoe het beschikbare vermogen werd verdeeld. In hoofdlijnen speelde daarbij een drietal elementen een rol:
- Het vullen van de solidariteitsreserve, ook wel risicodelingsreserve genoemd. Deze reserve fungeert als buffer om economische tegenvallers in de toekomst op te vangen en schommelingen in pensioenuitkomsten te beperken.
- Het compenseren van deelnemers die er in het nieuwe stelsel op achteruit zouden gaan. Daarbij wordt gekeken naar de verwachte toekomstige dienstjaren bij de werkgever en het betreffende pensioenfonds. Een belangrijke voorwaarde is dat de deelnemer op het moment van transitie nog actief in dienst is.
- Indien na deze stappen nog extra vermogen beschikbaar was, werd dit verdeeld onder de deelnemers. Deze verdeling kon betrekking hebben op actieve deelnemers, slapers en gepensioneerden.
Voor de deelnemers van de pensioenfondsen die per 1 januari 2026 zijn overgestapt, was er overwegend positief nieuws. Gemiddeld werden de pensioenen met ongeveer 14 procent verhoogd. De uiteindelijke stijging verschilde per pensioenfonds en varieerde van ongeveer 5 tot circa 20 procent, afhankelijk van de financiële positie en gemaakte keuzes.
Pensioenfondsen die nog niet zijn overgestapt
Pensioenfondsen die de overstap naar het nieuwe stelsel nog niet hebben gemaakt, beoordelen jaarlijks of er voldoende financiële ruimte is om de pensioenen te indexeren. Voor gepensioneerden is indexatie direct merkbaar, omdat een verhoging van het pensioen zich meteen vertaalt in extra inkomen. De ruimte voor indexatie hangt samen met de dekkingsgraad van het fonds. Tegelijkertijd heeft indexatie ook een keerzijde. Het verlagen van de dekkingsgraad door indexatie betekent dat er op het moment van transitie minder vermogen beschikbaar is om te verdelen bij het invaren van de pensioenen naar persoonlijke pensioenvermogens. Elk pensioenfonds staat daarmee voor een zorgvuldige afweging tussen koopkrachtbehoud op korte termijn en de verdeling van het pensioenvermogen bij de overgang naar het nieuwe stelsel. Deze keuzes verschillen per fonds en hangen samen met de financiële positie, het deelnemersbestand en het gekozen plan richting transitie.
Een vooruitblik naar 2027
Pensioenfondsen hebben tot 1 januari 2028 de tijd om over te stappen naar het nieuwe pensioenstelsel. De verwachting is dat de grootste groep fondsen, in totaal 36, deze stap al per 1 januari 2027 zal zetten. Tot deze groep behoort ook ABP, het pensioenfonds voor ambtenaren, met ruim 3 miljoen deelnemers en een belegd vermogen van ongeveer 500 miljard euro. Als deze planning wordt gerealiseerd, is naar schatting op 1 januari 2027 ongeveer 90 procent van alle deelnemers bij pensioenfondsen na het invaren overgegaan naar het nieuwe stelsel. Dat benadrukt het belang van dit overgangsjaar. Tegelijkertijd blijft de periode tot 2027 onzeker. Ontwikkelingen op de financiële markten en veranderingen in de rente hebben directe invloed op de dekkingsgraad van pensioenfondsen. De fondsen die nog moeten overstappen zullen deze factoren daarom nauwlettend blijven volgen, omdat zij bepalend zijn voor de financiële uitgangspositie op het moment van transitie.
Voor meer informatie over pensioen kunt u terecht op onze website: ABN AMRO MeesPierson – financial focus