De uitgangspunten
We beginnen op 1 januari 2026 met een vermogen van € 1 miljoen. Vervolgens veronderstel ik dat de beleggingsrendementen in de tien jaren van 2026 tot en met 2035 exact gelijk zijn aan de rendementen in euro’s van de MSCI World Net Return Index in de kalenderjaren 2016 tot en met 2025, na aftrek van 1 procentpunt aan jaarlijkse kosten.
De gebruikte rendementen variëren sterk. Het laagste resultaat bedraagt –13,78% en het hoogste 30,07%.
Ik vergelijk twee situaties:
- het vermogen wordt privé belegd en valt in box 3;
- het vermogen wordt als kapitaal in een bv gestort en door de bv belegd.
Om de vergelijking overzichtelijk te houden, laat ik het heffingsvrije vermogen, het voorgestelde heffingsvrije resultaat en verliesdrempels buiten beschouwing. Ook de jaarlijkse kosten van een bv blijven buiten de berekening. De uitkomst is daarmee geen exacte voorspelling. Het is een rekenvoorbeeld dat inzicht geeft in de werking van beide belastingstelsels. Het gebruik van rendementen uit het verleden is puur als voorbeeld bedoeld en moet in geen geval opgevat worden als een voorspelling. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.
Scenario 1: beleggen in box 3
Voor 2026 en 2027 ga ik uit van belastingheffing volgens het huidige wettelijke stelsel. Dat betekent een box 3-tarief van 36% over een forfaitair rendement voor beleggingen van 6% in 2026 en 6,37% in 2027. Voor 2026 en 2027 geldt daarnaast de tegenbewijsregeling. Als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kan de box 3-heffing op het lagere werkelijke rendement worden gebaseerd. In dit rekenvoorbeeld zijn de werkelijke rendementen in beide jaren hoger dan het gebruikte forfait, zodat de forfaitaire berekening voordeliger is
Vanaf 2028 reken ik met het voorgestelde stelsel op basis van werkelijk rendement. Voor beursbeleggingen is daarin een vermogensaanwasbelasting het uitgangspunt. Niet alleen dividend en gerealiseerde koerswinst worden belast, maar ook ongerealiseerde waardestijgingen. Bij een negatief resultaat kan het verlies met positieve resultaten in latere jaren worden verrekend. Het voorgestelde tarief bedraagt 36%. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar het wetsvoorstel is nog niet definitief.
Het verloop in box 3
In 2026 behaalt de belegger een rendement na kosten van 9,73%, oftewel € 97.300. Daar staat € 21.600 box 3-belasting tegenover. Aan het einde van het eerste jaar resteert daardoor € 1.075.700.
Ook in 2027 wordt over het forfait afgerekend. Vanaf 2028 volgt de belasting het werkelijke rendement. In de verliesjaren 2028 en 2032 is geen box 3-belasting verschuldigd. De verliezen worden verrekend met het positieve rendement in het daaropvolgende jaar.
Na tien jaar bedraagt het privévermogen afgerond:
€ 1.935.335
Over de gehele periode is € 504.291 aan box 3-belasting betaald. Het resterende vermogen is direct privé beschikbaar. Er rust geen aanvullende inkomstenbelastingclaim op.
Scenario 2: beleggen via een bv
In het tweede scenario wordt de oorspronkelijke € 1 miljoen als kapitaal in een bv gestort. De bv belegt vervolgens in dezelfde portefeuille en behaalt exact dezelfde rendementen.
Een bv betaalt vennootschapsbelasting over haar fiscale winst. In 2026 bedraagt het tarief 19% over de eerste € 200.000 en daarboven 25,8%. Ik veronderstel dat dit gedurende de looptijd niet verandert.
Een belangrijk verschil met de voorgestelde heffing in box 3 is de belastingheffing over ongerealiseerde koerswinsten. Bij rechtstreeks gehouden aandelen hoeft de bv een koersstijging pas als fiscale winst te boeken wanneer de aandelen worden verkocht. Een koersdaling onder de aankoopprijs kan vaak wel eerder als verlies worden verwerkt. Voor veel beleggingsfondsen gelden andere regels en moet de bv de jaarlijkse waardeverandering direct meenemen. In dit rekenvoorbeeld wordt aangenomen dat uitstel van winstneming gedeeltelijk mogelijk is. Lees in dit artikel meer over beleggen in de bv en belastingen.
In de praktijk bestaan beleggingsrendementen echter niet uitsluitend uit ongerealiseerde koerswinsten. Dividend is direct belast en bij aan- en verkopen worden winsten of verliezen gerealiseerd. Daarom ga ik uit van de volgende vereenvoudigde aannames:
- jaarlijks valt 30% van het behaalde rendement direct in de belastbare winst;
- daarnaast wordt jaarlijks 20% van de nog openstaande stille reserve gerealiseerd;
- het resterende gedeelte van het rendement blijft vooralsnog ongerealiseerd.
Deze percentages zijn geen fiscale regels. Ze vormen een aanname over de samenstelling van het rendement en de omloopsnelheid van de portefeuille.
De bv bouwt aanvankelijk een voorsprong op
Na tien jaar bedraagt het vermogen in de bv, vóór afrekening over de resterende stille reserve: € 2.404.170
In dezelfde periode heeft de bv € 187.658 aan vennootschapsbelasting betaald. De nog niet gerealiseerde stille reserve bedraagt eind 2035: € 612.011.
Op het eerste gezicht lijkt de bv daarmee duidelijk voordeliger. Er staat immers ruim € 468.000 meer op de beleggingsrekening dan in box 3. Dat verschil komt vooral door belastinguitstel. In box 3 wordt vanaf 2028 jaarlijks belasting geheven over het gehele werkelijke rendement, inclusief ongerealiseerde koerswinsten. In de bv wordt een gedeelte van de winst pas belast wanneer deze wordt gerealiseerd. Het bedrag dat nog niet aan de fiscus is betaald, kan intussen blijven renderen.
Maar het vermogen op de rekening van de bv is niet hetzelfde als netto privévermogen. Op een deel ervan rust nog vennootschapsbelasting en vervolgens mogelijk box 2-belasting.
Afrekenen over de stille reserve
Om tot een zuivere vergelijking van het netto privévermogen te komen, veronderstel ik dat alle beleggingen eind 2035 worden verkocht en daarna volledig met de Vpb- en box 2-claims wordt afgerekend.
Over de resterende stille reserve van € 612.011 is dan nog vennootschapsbelasting verschuldigd. Die bedraagt € 144.298.
Na deze afrekening resteert € 2.259.872 in de bv.
Dit bedrag is nog steeds niet volledig netto privé beschikbaar. Daarvoor moet ook naar de belasting in box 2 worden gekeken.
Van de bv naar privé
De oorspronkelijke € 1 miljoen is als kapitaal in de bv gestort. Dat betekent dat dit bedrag onder voorwaarden belastingvrij uit de bv gehaald kan worden.
Het bedrag boven de verkrijgingsprijs vormt wel belastbaar inkomen in box 2:
€ 2.259.872 − € 1.000.000 = € 1.259.872
Ik ga uit van fiscale partners en van volledige afrekening in één jaar, en veronderstel dat de tarieven in 2035 gelijk zijn aan die in 2026, namelijk: 24,5% over de eerste € 137.686 en 31% over het meerdere.
De box 2-heffing bedraagt in dat geval: € 381.610
Na de volledige afrekening resteert een netto privévermogen van: € 1.878.262.
De vergelijking
De einduitkomst kan als volgt worden samengevat:
| Na tien jaar |
Box 3 |
bv |
| Saldo op 31 december 2035 |
€ 1.935.335 |
€ 2.404.170 |
| Vpb over resterende stille reserve |
– |
– € 144.298 |
| Box 2 bij volledige afwikkeling |
– |
– € 381.610 |
| Netto privévermogen |
€ 1.935.335 |
€ 1.878.262 |
Na volledige afrekening resteert in box 3 dus € 57.073 meer netto privévermogen.
De conclusie is daarmee bijna het tegenovergestelde van wat een eerste blik op de beleggingsrekeningen suggereert. Vóór eindafrekening heeft de bv een voorsprong van ruim € 468.000. Na afrekening van vennootschapsbelasting en box 2 resteert juist circa € 57.000 minder dan in box 3.
De vergelijking doet denken aan de fabel van de haas en de schildpad. De bv heeft de snelste start en neemt tijdens de beleggingsperiode een aanzienlijke voorsprong. Maar door fiscale hindernissen vlak voor de eindstreep komt de schildpad (box 3) in dit rekenvoorbeeld toch als eerste over de finish.
Wanneer pakt de vergelijking anders uit?
Betekent dit dat beleggen via een bv altijd ongunstiger is? Nee. Wie op basis van dit artikel concludeert: ‘de bv is niets voor mij’, trekt de conclusie te snel. De uitkomst hangt af van de rendementen, de beleggingsduur, de mate waarin winsten in de bv worden gerealiseerd en het moment waarop vermogen naar privé wordt uitgekeerd. Ook toekomstige fiscale wijzigingen kunnen het beeld veranderen.
De herkomst van het vermogen is eveneens belangrijk. Bevindt het geld zich al in een bv en rust daarop al een box 2-claim, dan is de afweging anders dan wanneer € 1 miljoen netto privévermogen naar een nieuwe beleggings-bv wordt overgebracht. Dat onderscheid stond ook centraal in mijn eerdere artikelen over beclaimd vermogen in de bv en onbeclaimd privévermogen.
Het resultaat van een analyse als deze staat of valt met de aannames. Maak de afweging daarom altijd op basis van uw eigen vermogenspositie, beleggingshorizon, portefeuille en uitkeringsbehoefte, en overleg hierover met een fiscaal adviseur.