Direct naar content
3 min. leestijd

In het verleden kon een werknemer gebruikmaken van de zogenaamde stamrechtvrijstelling. Wanneer een werkgever bij ontslag een  gouden handdruk toekende én de werknemer besloot met dit bedrag later uitkeringen aan te kopen, dan hoefde de werknemer niet in één keer belasting over de gouden handdruk te betalen. Over de uitkeringen moet wel belasting worden betaald in box 1.

Het voordeel van het aankopen van periodieke uitkeringen was dat er per saldo vaak minder belasting in box 1 betaald moest worden, minder box 3 belasting en bij overlijden minder erfbelasting.

In de praktijk werd zo’n gouden handdruk vaak ondergebracht in een Stamrecht-BV, in een levensverzekering of als saldo op een  (geblokkeerde) goudenhanddrukbankspaarrekening.

Aanpassing wetgeving

Eind 2013 is de wetgeving rondom gouden handdrukken ingrijpend gewijzigd. De belangrijkste punten waren:

  • De stamrechtvrijstelling verviel per 1 januari 2014. Wie op of na deze datum wordt ontslagen en van de werkgever een ontslagvergoeding ontvangt, moet daarover direct belasting in box 1 betalen. Om belasting te besparen kan wellicht nog van de zogenaamde middelingsregeling gebruikgemaakt worden. Dat houdt in dat het hoge inkomen in een bepaald jaar fiscaal verspreid wordt over drie jaar, zodat per saldo minder belasting in box 1 betaald moet worden over de ontslagvergoeding.
  • Koopt de werknemer het stamrecht (gedeeltelijk) af? Dan hoeft hij geen boete te betalen. Wel inkomstenbelasting in box 1.
  • Wie vóór 15 november 2013 al een (uitgesteld of ingegaan) stamrecht had én het gehele stamrecht in 2014 afkocht, hoefde  over slechts 80% van de afkoopwaarde inkomstenbelasting te betalen.
  • Wie op of na 15 november 2013 maar vóór 1 januari 2014 van de werkgever de aanzegging van het ontslag kreeg, kon onder strikte voorwaarden nog wel van de stamrechtvrijstelling gebruikmaken. In dat geval kon echter geen gebruik worden gemaakt van de 80%-afkoopregeling in 2014.

Overgangsrecht voor “bestaande gevallen”

Wie nu nog beschikt over een stamrecht, heeft nu te maken met de volgende fiscale regels:

  • Er moeten voor het stamrechtkapitaal periodieke uitkeringen worden aangekocht. Deze moeten wettelijk uiterlijk ingaan in het jaar waarin u de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt of na uw overlijden. Voor de minimale uitkeringsduur geldt het zogenaamde “1%-sterftekans-criterium”: de kans op overlijden tijdens de uitkeringsduur moet ten minste 1% zijn.
  • Gedeeltelijke opnames uit het stamrechtkapitaal zijn toegestaan. Er hoeft dan geen boete te worden betaald. De rest van het kapitaal blijft staan.
  • Ook mag het stamrecht in één keer worden opgenomen. Ook dan is geen boete verschuldigd.
  • Uiteraard moet de ex-werknemer over de stamrechtuitkering, de gedeeltelijke opname of de afkoopwaarde belasting in box 1 betalen (maximaal 52%).

Stamrecht en overlijden

  • Voor een loonstamrecht geldt een beperkte kring van begunstigden: de ex-werknemer, diens echtgenoot/partner en/of kinderen jonger dan 30 jaar.
  • Als de ex-werknemer overlijdt zonder nabestaanden in deze kring of deze zijn niet benoemd in het contract, dan krijgt de uitvoerder het geld. Is echter de bank uitvoerder? Dan komt het netto kapitaal toe aan de erfgenamen.

Het recht op uitkeringen is voor de nabestaanden vrijgesteld voor de erfbelasting. Voor de partner leidt dit vaak wel tot verlaging van de vrijstelling voor de erfbelasting (in 2017 ongeveer € 638.000).

Specifieke punten voor de Stamrecht-BV

Voor een in een BV ondergebracht stamrecht gelden enkele specifieke regels met betrekking tot de waardering op de balans:

  • Een nog niet uitkerend stamrecht wordt op de balans van de BV opgenomen als stamrechtverplichting. Vaak wordt een kapitaal aan de ex-werknemer toegezegd. De oprenting van dit kapitaal vindt plaats zoals is bepaald in de stamrechtovereenkomst: soms tegen een vast percentage, maar ook wel afhankelijk van het gerealiseerde (beleggings)rendement, eventueel met een bepaalde afslag voor kosten.
  • Zodra de ex-werknemer besluit om het stamrechtkapitaal om te zetten in uitkeringen, moet het recht op deze uitkeringen fiscaal worden gewaardeerd op de balans (o.a. rekenrente van 4%). Deze waardering is gezien de huidige lage rentestand lager ten opzichte van de waardering net voor de uitkeringsfase. Dit leidt tot een vrijval in de winst. Over deze vrijval moet vennootschapsbelasting worden betaald. En over de winst na vennootschapsbelasting later nog 25% inkomstenbelasting (box 2). Over de uitkeringen betaalt men inkomstenbelasting in box 1. Hierdoor zal in veel gevallen op een bepaald moment sprake zijn van dubbele belastingheffing.
  • De hierboven omschreven vrijval kan worden voorkomen door voordat de uitkeringen ingaan het saldo eerst over te maken naar een bank of verzekeraar.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.

Meer over dit onderwerp