Direct naar content

U wilt eerder stoppen met werken maar u hebt op dat moment (nog) geen inkomensvoorzieningen zoals AOW, pensioenen of lijfrenten beschikbaar? Dan bent u aangewezen op andere vermogensbuffers, zoals spaargeld en beleggingen. Maar hoe groot moet de spaarpot dan zijn om de periode zonder inkomen te overbruggen? Naast de lengte van de periode die u moet overbruggen en het bedrag dat u jaarlijks wenst te kunnen spenderen, bepaalt ook het rendement op uw vermogen hoeveel kapitaal u nodig hebt. Daarnaast maakt het uit of u het kapitaal privé (box 3) beschikbaar hebt. Of dat het bijvoorbeeld in een BV zit en er nog een inkomstenbelastingclaim (box 2) op rust. Door het maken van financiële berekeningen krijgen we hierin meer inzicht.

Invloed van rendement

Stel, u zou gedurende een periode van 10 jaar jaarlijks € 50.000 netto beschikbaar willen hebben om uit te geven. En u zou dat bedrag telkens aan het begin van het jaar opnemen. In een wereld zonder belastingen en inflatie zou u dan € 500.000 nodig hebben, als u in het geheel geen rendement maakt. Hoe hoger het rendement dat u behaalt, hoe lager het kapitaal kan zijn dat bij aanvang beschikbaar is. Bij een jaarlijks nettorendement van bijvoorbeeld 5% is nog maar € 405.400 aan beginkapitaal nodig. En zou u jaarlijks 10% nettorendement maken, dan was € 338.000 al voldoende om 10 jaar lang € 50.000 te kunnen opmaken.

Invloed van belastingen

Maar we leven niet in een wereld zonder belastingen. Privé (box 3) staat de verschuldigde inkomstenbelasting los van het werkelijk behaalde rendement. De belastingdruk neemt daarbij (vooralsnog) toe naarmate het totale vermogen in box 3 hoger is. Over het deel van het vermogen tussen grofweg een ton en een miljoen euro per persoon (fiscaal partners het dubbele) is de belasting als percentage van het vermogen afgerond 1,3%. Is het rendement 0%? Dan is het rendement na belasting ‑1,3%. En is € 530.700 beginkapitaal nodig om 10 jaar € 50.000 te kunnen opnemen. Van 5% blijft dan 3,7% netto over. Wat betekent dat € 426.900 bij aanvang beschikbaar moet zijn. Van 10% resteert netto 8,7%. Waardoor € 353.500 nodig is om een vast bedrag van € 50.000 per jaar op te kunnen nemen, enzovoort.

Invloed van inflatie

Behalve belastingen is ook inflatie (prijsstijging) een factor om rekening mee te houden. Wat u vandaag allemaal kunt kopen voor € 50.000 zal bij een inflatie van 2% een jaar later € 51.000 kosten. Weer een jaar later is dat € 52.050. En 10 jaar later bijvoorbeeld al bijna € 61.000. Om de prijsstijging bij te houden is dus sowieso al 2% nettorendement nodig. Ofwel 3,3% vóór aftrek van 1,3% belasting. In dat geval is precies € 500.000 beginkapitaal nodig (10 x € 50.000). Maakt u 0% rendement en wilt u 10 jaar lang € 50.000 – jaarlijks met 2% stijgend om de inflatie te compenseren – kunnen besteden? Dan moet u € 582.300 bij aanvang beschikbaar hebben. Bij 5% rendement komt het nettorendement van 3,7% na belasting uit boven het inflatiepercentage van 2%. En is maar € 464.700 aanvangskapitaal nodig. En bij 10% rendement is € 381.800 al voldoende.

Lengte te overbruggen periode

Is de periode die u moet overbruggen door uw vermogen aan te spreken slechts enkele jaren? Dan maakt het maar weinig uit welk rendement u – na belasting en rekening houdend met inflatie – in de tussentijd op uw vermogen maakt. Maar hoe langer de periode is, des te groter de invloed wordt van het nettorendement. In onderstaande grafiek ziet u dat effect terug.

Als u met het rendement precies de belasting en de inflatie goedmaakt – in het voorbeeld is dat bij 3,3% rendement –, is het benodigde beginkapitaal recht evenredig met de lengte van de periode (rechte grijze lijn). Bij een periode van 10 jaar is dan € 500.000 kapitaal nodig en bij 20 jaar is € 1.000.000 nodig enzovoort. Is het rendement na belasting lager dan het percentage waarmee het periodiek te besteden bedrag stijgt? Dan is een hoger beginkapitaal nodig. En ligt het rendement na belasting boven de jaarlijkse indexering van het bedrag? Dan is een lager aanvangskapitaal toereikend. Hoe langer de periode is, hoe meer de lijnen uiteen gaan lopen. De verschillen in benodigd aanvangskapitaal worden dan steeds groter.

Vermogen in een BV?

Hebt u uw vermogen als ondernemer binnen een BV opgebouwd? Dan heeft de fiscus normaliter nog een inkomstenbelastingclaim (box 2) van 26,25% (vanaf 2021: 26,9%) op dat vermogen. Wilt u dat vermogen gebruiken om ervan te leven? Dan moet de BV ruim 1,35 euro (vanaf 2021: circa 1,37 euro) dividend uitkeren voor elke euro die u netto beschikbaar wilt krijgen om privé uit te geven. Wat dat betreft hebt u dus ruim een derde meer aan kapitaal binnen uw BV nodig dan wanneer het vermogen al privé beschikbaar is. Om privé € 50.000 netto beschikbaar te krijgen, is een dividend van € 68.400 nodig, als daar nog 26,9% box 2-belasting af moet. En ook dat bedrag zal jaarlijks met de inflatie moeten meestijgen om dezelfde koopkracht te behouden.

Er moet dus wel fors meer aanvangskapitaal binnen de BV beschikbaar zijn om hetzelfde besteedbare bedrag privé te realiseren. Maar daar staat tegenover dat normaliter minder rendement nodig is om hetzelfde doel te bereiken. Binnen een BV wordt namelijk wél het werkelijke rendement belast. In de meeste gevallen – winst tot € 200.000 – met 16,5% vennootschapsbelasting (vanaf 2021: 15%). Dat betekent dat van 0% bruto rendement geen belasting afgaat en ook netto 0% overblijft, 1,3% meer dus dan privé. Om een inflatie van 2% bij te houden is een rendement vóór 15% vennootschapsbelasting nodig van circa 2,35%. Terwijl over privévermogen bij 1,3% box 3-heffing hiervoor 3,3% rendement nodig is.

Hoe hoger het rendement, hoe kleiner het verschil met privé wordt. Tot uiteindelijk een omslagpunt bereikt wordt. Een rendement van 10% levert bijvoorbeeld na 15% vennootschapsbelasting 8,5% nettorendement op. En dat is juist iets minder dan de 8,7% die na 1,3% box 3-heffing van een dergelijk rendement privé overblijft.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.