Direct naar content

Vermogensongelijkheid: van een abstracte discussie naar concrete belastingverhogingen?

Gepubliceerd op:
10 min. leestijd

Vermogensongelijkheid staat volop in de belangstelling. Het CPB concludeert dat het belastingstelsel bijdraagt aan vermogensongelijkheid. Het kabinet ziet vooralsnog geen probleem met de vermogensongelijkheid in Nederland. Hoe komt men tot deze verschillende conclusies? En zijn zij de onderbouwing voor belastingverhogingen?

Waarom is vermogensongelijkheid relevant?

Door stijgende huizenprijzen en grote verschillen in geërfd vermogen groeit de aandacht voor de vraag hoe vermogen in Nederland is verdeeld. Een toenemende vermogensongelijkheid kan kansengelijkheid aantasten. Vermogen erven of geschonken krijgen, vergroot de mogelijkheden op de woningmarkt, in het onderwijs of bij het starten van een onderneming. De vraag is wat een goede balans is. Maatregelen die gericht zijn op herverdeling van vermogen kunnen bijdragen aan een gelijkere uitgangspositie, maar kunnen ook invloed hebben op de bereidheid om te sparen, te investeren en te ondernemen. Een andere vraag is of herverdelen van vermogen de meest effectieve maatregel is om deze doelen te bereiken. Kortom, het thema vermogensongelijkheid is zeer breed en kan zeker niet gevangen worden in één enkel artikel. In dit artikel concentreren we ons op de invloed van het belastingstelsel op vermogensongelijkheid.

Beïnvloedt het belastingstelsel vermogensongelijkheid?

De vermogensongelijkheid is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven in Nederland. Wel zijn er verschillen in vermogen tussen groepen. Woningeigenaren beschikken gemiddeld over meer vermogen dan huurders en mensen die zijn aangesloten bij een pensioenfonds hebben doorgaans een beter pensioen dan anderen. Ook verschillen de mogelijkheden om vermogens op te bouwen: directeur-grootaandeelhouders (dga’s) kunnen tot op zekere hoogte belastingheffing uitstellen via een bv. Mensen in loondienst kunnen dat niet. Het belastingstelsel probeert met de verschillende situaties rekening te houden. Zo kennen we drie boxen en zijn er fiscale regelingen voor specifieke groepen.

De hamvraag is of het belastingstelsel bijdraagt aan het vergroten van de vermogensongelijkheid. Door verschillende definities, meetmomenten en waardering van vermogensbestanddelen is het lastig om tot eenduidige conclusies te komen.

Discussiepunt 1: betalen dga’s relatief weinig belasting?

De hoogste 0,01% van de inkomens (ongeveer 1.400 mensen) betaalden tussen 2011 en 2019 gemiddeld ongeveer 28% belasting. Voor midden- en hoge inkomens bedraagt de gemiddelde belastingdruk tussen de 30 en 35%. Hoe kan het dat de meest vermogenden lager worden belast?

De vraag is wanneer winsten van ondernemingen tot het inkomen van de dga worden gerekend. De gangbare methode is om ondernemingswinsten tot het inkomen te rekenen op het moment dat zij worden uitgekeerd. Dga’s betalen op dat moment box 2-belasting en hetgeen resteert is netto-inkomen.

Het CPB heeft een andere benadering. Ook niet-uitgekeerde winsten worden tot het inkomen gerekend. Het CPB telt de toekomstige box 2-belasting niet mee. Daarnaast kan een deel van de ingehouden winst nodig zijn voor investeringen en kent ondernemingsvermogen meer risico’s dan looninkomsten.

Discussiepunt 2: geven gegevens tot 2019 nog een representatief beeld?

Het CPB baseert zijn analyse vooral op gegevens uit de periode 2011-2019. Geeft dat een reëel beeld van de huidige situatie? Er is sindsdien veel gebeurd voor dga’s:

  • Het laagste tarief van de vennootschapsbelasting is verhoogd van 15% over € 395.000 naar 19% over € 200.000
  • De box 2-belasting is verhoogd van 25% naar maximaal 31% (met een opstaptarief van 24,5%)
  • De Wet excessief lenen is ingevoerd, wat de mogelijkheden van winstuitstel door te lenen van de bv beperkt

Ook in box 3 zien we grote wijzigingen. In 2019 was het tarief 30% en dat is nu 36%. Feitelijk is de aftrek van schulden beperkt en de leegwaarderatio is geactualiseerd. Vanaf 2028 berekent de Belastingdienst de belasting over het werkelijke rendement in plaats van over fictieve rendementen (in 2026 en 2027 geldt nog een tegenbewijsregeling). De vraag is zelfs of het opbouwen van vermogen door te sparen en beleggen nog een reële verwachting is (“Box 3, inflatie en de uitdaging om vermogen op te bouwen”).

Discussiepunt 3: hoe moet pensioenvermogen worden meegenomen?

Een derde punt betreft de behandeling van pensioenvermogen in de analyses van vermogensongelijkheid. Pensioenvermogen bij pensioenfondsen telt niet mee in reguliere statistieken over het vermogen van huishoudens. Mensen kunnen hun pensioenvermogen niet opnemen of weggeven. Onder pensioenvermogen valt ook pensioen in eigen beheer, een oudedagsverplichting en lijfrenten (dat tot op zekere hoogte wel aan anderen kan worden overgedragen).

De keuze om pensioenvermogen wel of niet mee te tellen, heeft grote invloed op de gemeten vermogensongelijkheid. Het CBS heeft voor het jaar 2021 berekend dat de 10 procent meest vermogende huishoudens zonder het collectief opgebouwd pensioenvermogen 59% van het totale vermogen van huishoudens bezit. Mét pensioenvermogens was dat 48%. Bij dit laatste getal staat Nederland qua vermogensongelijkheid in internationaal opzicht in de middenmoot.

De mogelijkheid voor pensioenopbouw voor hogere inkomens is overigens beperkt. Er kan over maximaal € 137.800 pensioen worden opgebouwd en deze grens wordt voor de komende 6 jaar bevroren.

Discussiepunt 4: hoe ontwikkeld de inkomensongelijkheid zich?

Bij de discussie over vermogensongelijkheid wordt vaak verwezen naar de ontwikkeling van de  inkomensongelijkheid. Volgens het CBS is de inkomensongelijkheid in Nederland sinds 1990 opvallend stabiel gebleven. Er zijn schommelingen van jaar tot jaar, maar van een sterke structurele toename is volgens het CBS geen sprake. De inkomensongelijkheid in Nederland ligt ruim onder het EU-gemiddelde.

Een belangrijke verklaring hiervoor is dat collectieve uitgaven, waaronder toeslagen, zorg en onderwijs veel inkomen herverdelen van hogere naar lagere inkomens. Kabinetten besteden hier veel aandacht aan bij de jaarlijkse koopkrachtberekeningen.

In absolute termen betaalt de top tien procent van de inkomens ongeveer de helft van alle belastingen.

Wat vindt het kabinet?

Belangrijk is natuurlijk wat het kabinet vindt van dit thema. Het kabinet vindt de inkomens- en vermogensongelijkheid in Nederland op dit moment niet te scheef. Het kabinet komt tot deze conclusie op basis van deze punten:

  • Nederland scoort binnen de EU goed qua inkomensongelijkheid. Er is een goed functionerend vangnet en een toegankelijk zorgstelsel. Dat is belangrijk voor het welbevinden van mensen.
  • Het pensioenstelsel in Nederland is goed en ook dat is cruciaal voor het welbevinden van mensen.
  • Qua vermogensverdeling scoort Nederland volgens de World Inequality Database van Thomas Piketty beter dan landen als Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Zweden en Finland.

De inkomens- en vermogensverdeling blijken vrij constant over de jaren heen. Door voortdurend alert te zijn op een evenwichtige jaarlijkse koopkrachtontwikkeling tracht het kabinet dat zo te houden.

Dit betekent niet dat het fiscaal stelsel ongemoeid blijft. Het kabinet wil aan de slag blijven met ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen. Ook een herziening van het belasting- en toeslagenstelsel staat op de agenda.

De rol van de schenk- en erfbelasting

Wanneer het debat over vermogensongelijkheid oplaait, komt de schenk- en erfbelasting al snel in beeld. De schenk- en erfbelasting is een directe belasting op vermogen en de overdracht daarvan.

In een recent rapport concentreert het CPB zich op de schenk- en erfbelasting. Gebaseerd op cijfers uit 2015 constateert het CPB een relatief lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%. Dit zijn flink lagere percentages dan de tarieven van de schenk- en erfbelasting (kortweg 10-20% in de verhouding kinderen en partners en 30-40% in andere verhoudingen).

Het kabinet geeft deze verklaringen voor de lage effectieve belasting:

  • Er gelden voor beide belastingen vrijstellingen. Enkele vrijstellingen zijn geëvalueerd en wachten op een kabinetsreactie.
  • Schenkingen en erfenissen onder de vrijstelling voor ondernemingsvermogen zijn relatief groot en kennen een lagere belastingdruk (2% bij schenkingen en 5% bij erfenissen). Dit is een politieke keuze. In het coalitieakkoord is afgesproken deze bedrijfsopvolgingsregelingen niet verder te versoberen.
  • Papieren schenkingen verlagen de waarde waarover erfbelasting wordt berekend. En de rente is vermogensoverdracht die geen schenking is. In de Voorjaarsnota beschrijft het kabinet opties om papieren schenkingen tegen te gaan.
  • Verouderde forfaits (6% rente) zorgen voor een lagere effectieve belastingdruk.

De wetgever heeft de lage effectieve belastingdruk deels bewust zo vormgegeven; op andere punten overweegt het kabinet aanpassingen. Uitgebreider leest u hierover in ons artikel “De schenk- en erfbelasting op de schop!”.

Een verhoging van de tarieven?

Het CPB heeft verschillende studies over de schenk- en erfbelasting samengebracht. Zo ook de enquête (uit 2023) waaruit blijkt dat een kleine minderheid afschaffing wil van de erfbelasting en een meerderheid juist het huidige tarief of hoger. Overigens past bij interpretatie van de uitkomsten enige voorzichtigheid: de respondenten waren niet noodzakelijk bekend met de huidige tarieven en werking van de erfbelasting.

Erfbelasting of belasting bij overlijden?

Bij de fiscale gevolgen van overlijden gaat de aandacht vaak uit naar de erfbelasting. Die vormt echter een deel van het plaatje: ook inkomstenbelasting kan aan de orde komen. Een voorbeeld is het vermogen opgebouwd in de bv. We kunnen zeggen dat de Nederlandse Staat met de box 2-belasting feitelijk voor 31% aandeelhouder is van elke bv in Nederland en als we daar 20% bij optellen, neemt het belang toe tot 45%. Samsam dus met de Belastingdienst?

In de toekomst wordt de waardestijging van vastgoedbezittingen in box 3 belast met 36% en met 20% erfbelasting geeft dat een totale belastingdruk van 51%.

De waardestijging van eigen woningen is onbelast, maar daar staat een jaarlijkse belastingheffing tegenover. Zeker in het ‘villa-segment’ kan de jaarlijkse belastingheffing fors oplopen (een bijtelling van op het inkomen in box 1 van 2,35% vanaf een WOZ-waarde van € 1.350.000).

De belastingdruk bij overlijden is dus breder dan alleen de erfbelasting. Andere belastingen kunnen nog een rol spelen bij de feitelijke overdracht van het vermogen en worden soms feitelijk door erfgenamen betaald. De gecombineerde percentages kunnen behoorlijk oplopen.

Gaten in de begroting

Naast de inhoudelijke discussie over vermogensongelijkheid, is de politieke realiteit ook dat het kabinet de begroting op orde moet hebben. De vraag is bijvoorbeeld waar de budgettaire dekking voor de aanpassingen in box 3 vandaan komt. Verder heeft het kabinet geen meerderheid in de Tweede Kamer gekregen voor haar bezuinigingsvoorstellen op sociale zekerheid. Minister Vijlbrief (D66) wil bij een nieuw plan ook kijken naar hogere belastingen op vermogen. Minister Heinen (VVD) heeft aangegeven dat het verhogen van de erfbelasting voor de VVD geen optie is. Premier Jetten ziet hierin geen verschil van inzicht en stelt dat kabinetsplannen altijd gewijzigd kunnen worden, als alle drie de coalitiepartijen daarmee instemmen.

We gaan (in de aanloop van) Prinsjesdag vernemen met welk plan het kabinet komt.

De woningmarkt als aanjager voor discussie over vermogensongelijkheid?

Het is zeker als starter lastig om voet aan de grond te krijgen op de woningmarkt. Dat geldt voor koopwoningen en ook de huurmarkt staat onder druk. Dit leidt onder meer tot uitstel van gezinsvorming en is wellicht het grootste maatschappelijke probleem van dit moment. Waarschijnlijk is dit ook een voorname reden waarom vermogensongelijkheid momenteel zo in de belangstelling staat. Veel starters hebben financiële steun van hun ouders nodig.

In het kader van verschillen tussen groepen, trok een nieuwsbericht op dit vlak onze aandacht. Een aantal fracties in de Metropoolregio Amsterdam heeft het kabinet verzocht om de expatregeling af te schaffen. Bij deze regeling mag de werkgever aan werknemers die vanuit het buitenland komen maximaal 30% van het brutoloon belastingvrij uitkeren als vergoeding voor extra kosten. Volgens de lokale politiek kunnen expats daarom hogere huren en koopprijzen betalen. Volgens het kabinet heeft dit maar een klein effect (in Amsterdam 0,9% voor huren en 1,8% voor koopwoningen).

Wel past ook hier dezelfde vraag die eerder in de discussie over vermogensongelijkheid naar voren kwam: in hoeverre sluiten historische analyses nog aan bij de huidige situatie? De meest recente berekeningen zijn namelijk gebaseerd op gegevens uit de periode 2016-2022. Sindsdien zijn de woningmarkt, de renteontwikkeling, de migratiestromen en het fiscale beleid opnieuw veranderd. Daarmee blijft ruimte bestaan voor discussie over de actuele effecten van de regeling op de toegankelijkheid van de woningmarkt.

Afsluiting

De vraag of het belastingstelsel bijdraagt aan een grotere vermogensongelijkheid laat zich niet eenvoudig beantwoorden. De uitkomst hangt sterk af van de gekozen definities, de manier waarop vermogen wordt gemeten en de periode die wordt onderzocht. Juist daarom lopen de conclusies van onderzoekers, beleidsmakers en politici regelmatig uiteen.

Op basis van de huidige stand van zaken kan in ieder geval worden vastgesteld dat sinds 2019 verschillende fiscale maatregelen zijn ingevoerd die juist in grotere mate drukken op hogere inkomens en grotere vermogens.

Het thema vermogensongelijkheid kent nog veel andere invalshoeken. Hoe verschillen ontstaan, tot welke problemen die leiden en of er effectieve maatregelen mogelijk zijn, zijn vervolgvragen die zich niet makkelijk laten beantwoorden. Persoonlijke opvattingen en politieke overtuigingen wegen daarbij zwaar. Het thema zal dan ook nog vaak terugkomen. Leidt dit tot concrete maatregelen op fiscaal vlak? Dan melden we ons weer.

Dit artikel schreef ik samen met Peter Beets.

Bronnen:

CPB-rapport “De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens

Beantwoording Kamervragen over vermogensongelijkheid en over de expatregeling.

Verdieping: een interview van Martin Visser met CPB-onderzoeker Arjan Lejour.

CPB-rapport “Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.

Over private banking

Vermogen biedt kansen en verplichtingen. Het is daarom prettig als er iemand met u meedenkt en samen met u de mogelijkheden verkent. Met persoonlijke aandacht bent u verzekerd van waardevol advies en dienstverlening op maat.
Over private banking