Direct naar content

Box 3: de slotkoers die de schatkist miljarden kan schelen

Gepubliceerd op:
5 min. leestijd

Het kabinet zoekt verwoed dekking voor een nieuw box 3-stelsel dat per 1 januari 2028 moet ingaan. Er wordt gerekend tot achter de komma. Maar één variabele laat zich niet begroten: waar de beurs staat wanneer het nieuwe stelsel begint. Een forse koersbeweging rond die fiscale knip kan jarenlang doorwerken in de belastingopbrengst. Dat risico is in de ramingen nauwelijks zichtbaar en verdient meer aandacht dan het nu krijgt. Ook daarom schuurt de voorgenomen parlementaire haast: de Tweede Kamer stemt al op 12 november over box 3. Tegelijkertijd adviseert de Raad van State om het wetsvoorstel in te trekken, om vervolgens per 2030 op een zorgvuldige wijze tot een solide, uitvoerbaar en adequaat gedekt box 3-stelsel te komen.

Peter Beets en Tjarko Denekamp, experts vermogensplanning ABN AMRO MeesPierson

Van forfait naar werkelijk rendement

In de jaren vóór 2028 kijkt de fiscus voor de reguliere box 3-heffing naar forfaits en peildata (met tegenbewijsregeling). Vanaf 2028 moet werkelijk rendement leidend worden.

Bij de overgang krijgen beleggingen zoals aandelen en obligaties een fiscale startwaarde, op basis van de waarde in het economische verkeer aan het begin van het nieuwe stelsel. Omdat de winst of het verlies bij een latere verkoop wordt berekend ten opzichte van die waarde, kan deze fiscale knip opvallende uitkomsten veroorzaken.

Een rekenvoorbeeld: terug naar af

Neem een belegger met op 1 januari 2027 een aandelenportefeuille van € 1.000.000. De beurs stijgt in 2027 met 30 procent. Op 31 december staat er € 1.300.000. In 2027 geldt nog het forfaitaire stelsel.

Als € 1.300.000 bij de invoering van het nieuwe stelsel de fiscale startwaarde wordt en de portefeuille daarna terugzakt naar € 1.000.000, is de belegger economisch over de twee jaren weer terug bij af. Fiscaal ligt dat anders. Ten opzichte van de nieuwe startwaarde van € 1,3 miljoen ontstaat bij verkoop een verlies van € 300.000. Bij een tarief van 36 procent vertegenwoordigt dat maximaal € 108.000 minder belasting.

Een rally van 30 procent is geen sciencefiction. Een sterke stijging, gevolgd door een forse daling is geen louter theoretische constructie. Financiële markten kunnen in opeenvolgende jaren sterk bewegen.

Wat kan dit macro-economisch betekenen?

De rekensleutel is eenvoudig: iedere € 10 miljard aan daadwerkelijk verrekenbaar box 3-verlies kost bij 36 procent maximaal € 3,6 miljard aan toekomstige opbrengst.

Dat is geen voorspelling dat de schatkist daadwerkelijk € 3,6 miljard per € 10 miljard verlies misloopt. Niet ieder verlies wordt volledig benut. Daarnaast houdt de officiële raming al rekening met verliesjaren en verliesverrekening.

Maar dit soort scenario’s laten wel zien hoe gevoelig de begroting is voor drie onbekenden: de omvang van het effectenbezit, de koersbeweging rond de knipdatum en de mate waarin verliezen werkelijk worden benut.

Het begrotingsvraagstuk behelst daarom niet alleen welk rendement gemiddeld over een lange periode wordt behaald, maar ook waar de markt staat op het moment waarop de nieuwe fiscale beginwaarde wordt vastgesteld en hoe de markt zich daarna ontwikkelt.

Het kan ook de andere kant op

Het spiegelbeeld bestaat eveneens. Staat de beurs bij de start van het nieuwe stelsel uitzonderlijk laag en herstellen de koersen daarna, dan kan vanaf die lage openingswaarde juist een fiscale winst ontstaan.

Alleen hoeft die meevaller niet meteen in de schatkist terecht te komen. Onder een vermogenswinstbelasting wordt de belastingclaim immers pas gerealiseerd wanneer de belegger verkoopt. Het effect kan dus twee kanten op werken én zich op verschillende momenten in de begroting manifesteren.

Dat maakt de openingswaarde niet automatisch tot een probleem. Ergens moet een nieuw fiscaal stelsel nu eenmaal beginnen. Maar het betekent wel dat achter een exact berekende dekking een onzekerheid kan schuilgaan die door financiële markten wordt bepaald.

Na de invoering ontstaat een tweede timingrisico

Dezelfde gevoeligheid voor de volgorde van rendementen kan zich na invoering overigens opnieuw voordoen. Bij bezittingen die tijdelijk onder een vermogensaanwasbelasting vallen (zoals cryptoactiva), kan eerst belasting worden geheven over een waardestijging, terwijl een even grote daling in het volgende jaar zonder achterwaartse verliesverrekening niet tot teruggave leidt. Ook daar maakt niet alleen het totale rendement uit, maar vooral de volgorde waarin winst en verlies optreden.

Wie houdt de boekhouding bij?

De overstap naar een nieuw box 3-stelsel per 1 januari 2028 betekent dat aan beleggingen zoals aandelen en obligaties, een verkrijgingsprijs moet worden toegekend. Dat is de slotkoers van 2027 en die is, samen met de verkoopprijs, beslissend voor de belastingheffing in het nieuwe systeem.

Het zou natuurlijk mooi zijn als banken deze informatie voor beleggers bijhouden. De systemen van banken zijn daar op dit moment niet op ingericht. Kunnen banken snel hun systemen aanpassen? Banken hebben 18 maanden vóór 1 januari van het beoogde belastingjaar nodig om hun systemen op gewijzigde regelgeving in te richten. De systemen voor 1 januari 2028 op orde krijgen, gaat vermoedelijk niet lukken.

Beleggers zullen dus zelf de administratie op orde moeten brengen. Dat wordt ‘een uitdaging’ en dat geldt ook voor de controle door de Belastingdienst. Stel dat sprake is van bijkopen van dezelfde aandelen. Dan moeten gemiddelde prijzen worden vastgesteld om bij verkoop het fiscale resultaat te bepalen. Is dit is een (te) grote opgave voor veel aandelenbeleggers?

Een stresstest voor box 3

Het politieke debat zou niet alleen moeten gaan over de vraag of het nieuwe box 3-stelsel op papier is gedekt.

De relevante vraag is hoe gevoelig die dekking is voor sterk verschillende beursstanden rond de invoeringsdatum. Wat gebeurt er met de toekomstige belastingopbrengst na een forse rally vlak vóór de fiscale knip, gevolgd door een daling? En wat gebeurt er bij het tegenovergestelde scenario?

Dat is des te relevanter wanneer elders belastingen worden verhoogd om het nieuwe stelsel precies te dekken. Dan zou niet alleen het centrale rekenpad zichtbaar moeten zijn, maar ook de onzekerheidsmarge eromheen. De Kamer moet kunnen zien welke aannames over openingswaarden, verliesbenutting, gedragseffecten en het moment van realisatie bepalend zijn voor de uitkomst.

Een meerderheid bij de stemming op 12 november bewijst dat een politiek akkoord is bereikt. Of er met deze tijdsdruk ook een financieel robuuste en uitvoerbare wet ligt, is de vraag.

Deze blog schreef ik samen met Tjarko Denekamp en is eerder verschenen bij Accountancy Vanmorgen en TaxLive

Noot: Alle bedragen zijn gestileerde scenario’s. De uitkomst hangt af van de definitieve wet, openingswaarderegels, verliesverrekeningsregels en eventuele antimisbruikbepalingen.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.

Over private banking

Vermogen biedt kansen en verplichtingen. Het is daarom prettig als er iemand met u meedenkt en samen met u de mogelijkheden verkent. Met persoonlijke aandacht bent u verzekerd van waardevol advies en dienstverlening op maat.
Over private banking