Direct naar content

Box 3, inflatie en de uitdaging om vermogen op te bouwen

Gepubliceerd op:
4 min. leestijd

De noodzaak om zelf een financieel vangnet te creëren wordt steeds groter. In het nieuwe politieke klimaat stijgt de staatsschuld, wordt de AOW‑leeftijd opgerekt, daalt de duur van de WW en wordt zelfstandig pensioen opbouwen lastiger. De burger moet dus steeds meer zelf regelen — maar het nieuwe box 3‑stelsel helpt daarbij niet mee.

De Tweede Kamer is onder stevige budgetdruk akkoord gegaan met de invoering van een nieuw box 3-stelsel. Waar het kabinet uitgaat van budgettaire neutraliteit, voelt de belastingplichtige vooral het tegenovergestelde: de combinatie van inflatie en het voorgestelde stelsel maakt het opbouwen van vermogen ingewikkelder dan ooit.

Een voorbeeld uit de praktijk: Casper (30)

Casper heeft een huis gekocht en wil het voordeel van zijn hypotheekrenteaftrek, € 10.000 per jaar, gebruiken om een buffer op te bouwen voor later. Hij kiest voor een mixfonds van aandelen en obligaties met een verwacht netto rendement van 5,5%.

In een ideale wereld:

Geen belasting, geen inflatie, geen tegenvallers. Dan bouwt Casper na 30 jaar een vermogen op van € 765.000. Maar zo werkt de echte wereld helaas niet.

Box 3 vreet rendement

Het nieuwe box 3‑stelsel belast rendement tegen 36%. Voor Casper gaat een vermogensaanwasbelasting gelden; jaarlijks wordt belasting geheven over inkomsten en waardeveranderingen, óók als die nog niet zijn gerealiseerd.

De belastingheffing houdt geen rekening met inflatie, waardoor het belastbare rendement hoger is dan het werkelijke, reële rendement.

Inflatie vreet koopkracht

Met een streefwaarde van 2% per jaar klinkt inflatie beheersbaar, maar de afgelopen jaren hebben laten zien hoe snel geld in waarde kan dalen. Wie vermogen opbouwt, moet dus niet alleen rendement maken, maar vooral rendement boven inflatie. Doe je dat niet, dan word je ieder jaar een beetje armer — ook al groeit je beleggingsrekening in euro’s.

Casper start met een gemiddeld beleggingsrendement van 5,5%. Maar na belasting en inflatie blijft er slechts 1,52% over (5,5% × 0,64 − 2%) om groei te realiseren. Door rendement niet te corrigeren met inflatie, wordt in zekere zin belasting geheven over fictief inkomen.

Als Casper een eindkapitaal van € 765.000 in gedachten heeft, zal hij meer opzij moeten zetten. In zijn situatie wordt dat moeilijk nu de hypotheekrente-aftrek door aflossingen ieder jaar minder wordt en zijn annuïtaire maandlast gelijk blijft.

In dit cijfervoorbeeld leidt het alternatief - een vermogenswinstbelasting -  voor Casper overigens nauwelijks tot een hoger eindvermogen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de belasting weliswaar pas bij realisatie betaald (in ons voorbeeld na 30 jaar), maar wordt slechts eenmaal het geïndexeerde heffingsvrije inkomen van € 1.800 benut. Dit in tegenstelling tot de jaarlijkse benutting daarvan bij een vermogensaanwasbelasting.

Bij een heffingsvrij inkomen van € 3.600 (bij fiscaal partnerschap) is de vermogensaanwasbelasting zelfs voordeliger (en veel eenvoudiger) voor Casper. Dit is anders voor vermogenden voor wie het relatief lage heffingsvrij inkomen weinig gewicht in de schaal legt.

Op naar een vermogenswinstbelasting

Het wetsvoorstel introduceert dus twee vormen van heffing, afhankelijk van het type vermogen. De vermogensaanwasbelasting is het uitgangspunt en is van toepassing op alle vermogensbestanddelen, behalve op vastgoed en aandelen in startende ondernemingen. Jaarlijks wordt belasting geheven over:

  • daadwerkelijk ontvangen inkomsten, zoals rente, dividend, huur of pacht;
  • waardeveranderingen, óók als die nog niet zijn gerealiseerd.

Dat betekent dat voor spaarders- en beleggers noch rekening wordt gehouden met inflatie, noch met realisatie. Belastingheffing over ongerealiseerd rendement roomt tussentijds koerswinst af en frustreert daarmee het zogenoemde rente op rente-effect, door Einstein het achtste wereldwonder genoemd.

Bij een vermogenswinstbelasting worden waardestijgingen pas belast op het moment van verkoop, of een ander realisatiemoment. Het nieuwe kabinet zegt de noodzaak van beleggen op lange termijn te willen stimuleren en wil daarom overstappen op een vermogenswinstbelasting. Of en wanneer dat ook echt gaat gebeuren, blijft koffiedik kijken.

Wat kunnen we concluderen?

  1. Inflatie en belasting vormen een straffe tegenwind voor het opbouwen van vermogen.
  2. Een spaarder is bij deze tegenwind kansloos: bij 1,5% rente en 2% inflatie loopt hij per saldo 1% per jaar achteruit.
  3. Rendement niet corrigeren met inflatie is in zekere zin belastingheffing over fictief inkomen.
  4. De discussie over een volledige vermogenswinstbelasting is met name relevant voor meer vermogenden.
  5. Een hoger heffingsvrij inkomen zou kleine spaarders en beleggers meer lucht geven.

Kortom: in een tijd waarin we meer zelf moeten regelen voor de toekomst, zou een belastingstelsel dat sparen en beleggen stimuleert, logischer zijn dan een stelsel dat groei afremt.

Bij de behandeling van box 3 in de Tweede Kamer is veel aandacht uitgegaan naar de budgettaire belangen voor de overheid. De budgettaire belangen van de burger lijken te zijn ondergesneeuwd.

Terug naar de tekentafel

Inmiddels is duidelijk dat het kabinet kritiek op box 3 ter harte neemt en teruggaat naar de tekentafel. Zo weet box 3 steeds weer te verrassen met een nieuwe cliffhanger.

Dit artikel schreef ik samen met mijn collega Peter Beets.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.

Over private banking

Vermogen biedt kansen en verplichtingen. Het is daarom prettig als er iemand met u meedenkt en samen met u de mogelijkheden verkent. Met persoonlijke aandacht bent u verzekerd van waardevol advies en dienstverlening op maat.
Over private banking