Box 3 blijft een hoofdpijndossier. Het nieuwe stelsel, waarin werkelijk rendement centraal staat, leek op weg naar de eindstreep. Maar in de Eerste Kamer ging het licht op rood. Het kabinet wilde het voorstel aanpassen, liep vast op de financiële gevolgen en schuift de beslissing nu door. Voor spaarders, beleggers en vastgoedbezitters blijft daardoor vooral één ding overeind: onzekerheid.
Met Prinsjesdag is duidelijk geworden dat het kabinet de financiële dekking en verdere uitwerking worden betrokken bij de eerstvolgende begrotingsbesluitvorming. Dat is waarschijnlijk de Voorjaarsnota 2027. De Eerste Kamer wordt daarom gevraagd de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 langer aan te houden. Dat is meer dan een procedurele kwestie. Verwerpt de Eerste Kamer het voorstel, dan moet het kabinet waarschijnlijk opnieuw beginnen. Dat betekent vrijwel zeker verdere vertraging.
Waar komen we vandaan?
De Hoge Raad oordeelde dat de box 3-heffing in strijd kan komen met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht wanneer de belastingheffing is gebaseerd op een forfaitair rendement dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Daarom kunnen belastingplichtigen onder voorwaarden tegenbewijs leveren. Als belastingplichtigen kunnen aantonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, wordt over het werkelijk rendement belasting betaald. Meer hierover leest u in de blog: ‘Belasting betalen in box 3, hoe zit dat?’.
De tegenbewijsregeling is bedoeld als tijdelijke oplossing, op weg naar een stelsel waar op basis van werkelijke rendementen belasting wordt geheven.
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
Een belangrijk discussiepunt is de keuze voor een vermogensaanwasbelasting voor veel vermogensbestanddelen. Daarbij worden niet alleen gerealiseerde voordelen belast, zoals rente, dividend of huur, maar ook niet verzilverde waardestijgingen. Voor bepaalde vermogensbestanddelen, zoals onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen, voorziet het wetsvoorstel juist in een vermogenswinstsystematiek, waarbij heffing plaatsvindt bij realisatie.
De vermogensaanwasbenadering heeft geleid tot politieke en maatschappelijke kritiek. Belasting kan dan immers verschuldigd zijn over papieren rendementen, terwijl er geen verkoopopbrengst of liquiditeit beschikbaar is. Meer hierover leest u in de blog ‘Hybride box 3-stelsel: noodzaak regeert over ideaal’.
Waar staan we nu?
De fracties van coalitiepartijen VVD en CDA, die in de Tweede Kamer nog vóór stemden, overwogen tegen te stemmen in de senaat. Het kabinet zocht naar een compromis, maar liep vast op de rekening: wie betaalt de miljarden die een ander stelsel of verder uitstel kost? Het kabinet wil nu de komende tijd gebruiken om verder te praten en verwijst daarbij naar het coalitieakkoord, waarin is afgesproken het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement verder te ontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek. Het kabinet ziet daarbij een duidelijke samenhang met het investerings- en ondernemingsklimaat en wil in de komende periode met breed gedragen voorstellen komen die bijdragen aan het toekomstige verdienvermogen en de economische groei.
Waar gaan we naartoe?
Het kabinet heeft expliciet aangegeven toe te willen werken naar een vermogenswinstsystematiek, omdat die volgens het coalitieakkoord beter aansluit bij de ambitie om het investerings- en ondernemingsklimaat te versterken. Voor het kabinet liggen momenteel vier scenario's op tafel. Geen van deze routes is eenvoudig, goedkoop of zonder politieke risico's.
1) Verbeteren van het huidige wetsvoorstel
De eerste route is het aanpassen van de Wet werkelijk rendement box 3 zonder afscheid te nemen van de vermogensaanwasbelasting. Daarbij wordt gedacht aan maatregelen zoals verliesverrekening met terugwerkende kracht (carry-back) en verbeteringen voor belastingplichtigen die te maken krijgen met levensgebeurtenissen zoals een huwelijk of scheiding. Ook wordt gekeken naar stimulering van duurzaam beleggen en een gunstigere behandeling van start- en scale-ups. Deze route neemt een aantal bezwaren weg, maar laat de fundamentele kritiek op belastingheffing over ongerealiseerde waardestijgingen grotendeels bestaan.
2) Eerst het nieuwe stelsel invoeren, daarna doorgroeien naar vermogenswinstbelasting
Een tweede mogelijkheid is om de Wet werkelijk rendement box 3 per 2028 in te voeren en vervolgens via een nieuw wetsvoorstel door te groeien naar een volledige vermogenswinstbelasting vanaf ongeveer 2030 (dit is te combineren met de verbeteringen uit scenario 1). Het voordeel is dat vanaf 2028 daadwerkelijk belasting wordt geheven over werkelijk rendement en de nadelen van het huidige forfaitaire systeem met tegenbewijsregeling verdwijnen. Nadeel is dat belastingplichtigen in de tussenliggende jaren alsnog te maken krijgen met een vermogensaanwasbelasting.
3) Wachten op volledige vermogenswinstbelasting
Het kabinet onderzoekt ook een route waarbij het huidige wetsvoorstel wordt ingetrokken. In dat geval blijft het bestaande forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling voorlopig bestaan, waarna rond 2030 direct wordt overgestapt naar een volledige vermogenswinstbelasting. Het voordeel is dat meteen het gewenste eindbeeld wordt bereikt. Daar staat tegenover dat de tekortkomingen van het huidige systeem langer blijven bestaan en dat deze route volgens het kabinet de grootste budgettaire derving veroorzaakt.
4) Versnelde overgang naar vermogenswinstbelasting
De vierde route is de meest ambitieuze. Hierbij wordt vanaf 2028 voor vrijwel alle financiële beleggingen, zoals aandelen, obligaties en opties, een vermogenswinstbelasting ingevoerd. Volgens het kabinet zou dan voor ongeveer 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 een vermogenswinstsystematiek gelden. De resterende vermogensbestanddelen zouden later volgen. Deze route brengt echter aanzienlijke uitvoeringsproblemen met zich mee, onder meer doordat banken in eerste instantie niet alle benodigde gegevens voor de vooraf ingevulde aangifte kunnen aanleveren.
Welke route uiteindelijk wordt gekozen, hangt niet alleen af van fiscale voorkeuren, maar ook van de vraag hoe de budgettaire gevolgen worden opgevangen. Het kabinet benadrukt dat iedere variant miljarden kost en dat daarvoor dekking moet worden gevonden.
Dat geld moet elders worden gevonden. Daarbij kunnen ook andere belastingdossiers in beeld komen, zoals box 2, de erfbelasting of de behandeling van de eigen woning. De discussie over box 3 blijft daarmee niet noodzakelijk tot box 3 beperkt.
Wat betekent dat voor u?
Zolang het nieuwe stelsel er niet is, blijft de huidige box 3-wetgeving gelden. Wie aannemelijk kan maken dat het werkelijke rendement lager was dan het forfaitair berekende rendement, kan een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Die regeling kan de belasting verlagen, maar niet verhogen. Dit systeem is voor veel beleggers voordeliger dan belastingheffing over werkelijk rendement zonder tegenbewijsregeling.
Voor vastgoedbeleggers levert tegenbewijs minder vanzelfsprekend voordeel op. Bij de bepaling van het werkelijke rendement kunnen ook ongerealiseerde waardestijgingen meetellen, terwijl onderhouds- en andere exploitatiekosten in beginsel niet aftrekbaar
zijn. Daardoor kan het berekende werkelijke rendement hoger uitvallen dan het bedrag dat de eigenaar als vrije kasstroom heeft ontvangen.
Voor veel spaarders zal het verschil waarschijnlijk beperkt zijn, omdat het forfaitaire rendement op banktegoeden relatief nauw aansluit bij de werkelijk ontvangen rente. De precieze uitkomst blijft echter afhankelijk van de persoonlijke vermogensmix.
Wat moet u nu doen?
Voor box 3 is Prinsjesdag nu vooral de start van onderhandelingen. In algemene zin is er daarom nog geen reden om haast te maken. Tijdig overleg met uw adviseur over uw persoonlijke situatie is natuurlijk wel raadzaam.
Conclusie
Box 3 beweegt van fictie naar werkelijkheid, maar die werkelijkheid blijkt fiscaal weerbarstig. Belasting heffen over werkelijk rendement klinkt eerlijker dan werken met grove forfaits. Zodra het stelsel concreet moet worden gemaakt, botsen echter verschillende belangen.
Een vermogensaanwasbelasting levert de schatkist eerder geld op, maar kan belasting heffen over winst die alleen op papier bestaat. Een vermogenswinstbelasting voorkomt dat probleem grotendeels, maar stelt de belastingheffing uit en slaat daardoor in de eerste jaren een gat in de begroting. En wie werkelijk rendement belast, moet accepteren dat de opbrengst meebeweegt met rente, vastgoedprijzen en beurskoersen. De wetgever bepaalt het tarief, maar niet het rendement van morgen.
De ontwikkelingen rond Prinsjesdag laten bovendien zien dat de discussie breder is dan alleen de vraag hoe werkelijk rendement moet worden belast. Het kabinet koppelt de toekomstige inrichting van box 3 nadrukkelijk aan het investeringsklimaat en het toekomstige verdienvermogen van de Nederlandse economie.
Zo blijft box 3 voorlopig een black box, omdat de politiek nog geen keuze heeft gemaakt. Voor de individuele belastingplichtige rest voorlopig weinig anders dan de ontwikkelingen volgen en de eigen situatie tijdig laten beoordelen en om regelmatig te toetsen wat nieuwe regels voor uw vermogen kunnen betekenen.