Wie op Prinsjesdag alleen naar de koopkrachtplaatjes kijkt, krijgt al snel de indruk dat er weinig verandert. De inkomensgroepen komen ongeveer gelijk uit en koopkrachtmaatregelen dempen de grootste financiële tegenvallers. Onder de motorkap verandert echter aanzienlijk meer.
Werkenden krijgen te maken met een forse, maar niet onmiddellijk zichtbare lastenverzwaring. Grote vraagstukken, zoals box 3 en de hypotheekrenteaftrek, worden doorgeschoven. Ook over de schenk- en erfbelasting is geen nieuws. Verhuurders, die de afgelopen jaren fiscaal en politiek op het strafbankje zaten, worden mogelijk met subsidie terug naar de middenhuurmarkt gelokt.
Voor 2027 weet het kabinet de koopkrachtplaatjes stabiel te houden. In 2028 wordt dat waarschijnlijk lastiger. Serveert het kabinet eerst het zoet en daarna pas het zuur?
Vier miljard extra belasting voor werkenden
Volgens de kabinetsplannen stijgt de belasting voor werkenden aanvankelijk met ongeveer € 4 miljard. Op termijn kan de structurele lastenverzwaring oplopen tot circa € 8 miljard per jaar.
Die stijging komt niet alleen door zichtbare tariefswijzigingen in box 1. Een belangrijk deel ontstaat doordat belastingschijven en heffingskortingen niet volledig voor inflatie worden gecorrigeerd. Van de inflatie van 2,6% wordt slechts 48% gecompenseerd.
Dat klinkt technisch, maar het effect is eenvoudig: als lonen door inflatie stijgen en de schijfgrenzen minder hard meestijgen, valt een groter deel van het inkomen in een hogere belastingschijf. Ook heffingskortingen verliezen relatief aan waarde wanneer zij bij de inflatie achterblijven.
De tarieven hoeven op papier dus nauwelijks te veranderen, terwijl burgers toch meer belasting betalen. Ook voor 2026 gold al een beperkte inflatiecorrectie.
Politiek is dat handig: een expliciete tariefsverhoging valt direct op, maar het beperkt indexeren van een schijfgrens of heffingskorting is voor de meeste mensen veel minder zichtbaar. De grens waarboven het toptarief in box 1 geldt (€ 78.426), wordt zelfs helemaal niet voor inflatie aangepast. Economisch zijn het gewoon belastingverhogingen.
2028: het jaar van het zuur?
De koopkrachtplaatjes voor 2027 laten slechts kleine minnen of plussen zien. Tegelijkertijd wil het kabinet nu al vastleggen dat de inflatie in 2028 opnieuw maar gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Een correctie voor 12,2% wordt genoemd, in plaats van de gebruikelijke 100%. Indirect leidt dat tot een lastenstijging van miljarden, zeker als de inflatie verder oploopt. Het wordt voor het kabinet dan ook een hele opgave om voor 2028 opnieuw een positief koopkrachtbeeld te presenteren.
Box 3: opnieuw zes maanden onzekerheid
De coalitie heeft geen overeenstemming bereikt over box 3. Het kabinet neemt zes maanden extra de tijd, betrekt de sociale partners bij de discussie en mikt op een besluit in het voorjaar van 2027.
Tot die tijd vraagt het kabinet de Eerste Kamer om de behandeling van de Wet werkelijk rendement aan te houden. Het is onzeker of de senaat daarmee instemt. Verwerpt de Eerste Kamer het voorstel, dan kan de snelle route via aanpassing van het bestaande wetsvoorstel vervallen. Mogelijk is dan een nieuw wetgevingstraject nodig, met verdere vertraging tot gevolg.
Eerdere plannen gingen nog uit van invoering van een stelsel op basis van werkelijk rendement per 1 januari 2028. Daarbij was al gewaarschuwd dat tijdige parlementaire behandeling nodig was om die datum te halen.
Elk jaar uitstel is kostbaar, omdat de tegenbewijsregeling van kracht blijft. De budgettaire derving wordt geraamd op ongeveer € 3 miljard per jaar. Bij een directe overgang naar een vermogenswinstbelasting kan het verschil voor de schatkist in de eerste jaren naar verluidt oplopen tot € 11 miljard à € 25 miljard.
Als die bedragen worden bevestigd, moet het kabinet elders dekking vinden. Genoemd worden onder meer de erfbelasting, tweede woningen in box 3 en een hogere belasting in box 2.
Discussie over een onzekere opbrengst
Opvallend is dat toekomstige opbrengsten uit box 3 al in de begroting zijn opgenomen, terwijl de precieze vormgeving van het nieuwe stelsel nog niet vaststaat.
Op termijn lijkt de jaarlijkse opbrengst uit box 3 aanzienlijk hoger te worden dan in de oude situatie. Tegenover de huidige opbrengst van ongeveer € 4,5 miljard staan ramingen die richting € 10 miljard per jaar gaan. Voorstanders van een hogere vermogensbelasting kunnen dat als een succes zien. Toch draait de politieke discussie vooral om de mogelijkheid dat de nieuwe opbrengst lager uitvalt dan eerder geraamd.
Daarbij hoort een belangrijke kanttekening. Als box 3 werkelijk aansluit bij de feitelijke rendementen van spaarders en beleggers, is de belastingopbrengst per definitie onzeker. Toekomstige rente, dividenden en waardestijgingen zijn immers niet vooraf bekend.
Politieke conflicten over de exacte opbrengst van een belasting op nog onbekende rendementen krijgen daardoor iets kunstmatigs. Het parlement kan het tarief en de grondslag vaststellen, maar niet het toekomstige beursrendement.
De hoofdlijn is eenvoudiger: spaarders en beleggers betalen in beginsel 36% belasting over hun belastbare werkelijke rendement. Dat is hetzelfde tarief als in het huidige box 3-stelsel. Hoeveel belasting dit daadwerkelijk oplevert, zal de toekomst uitwijzen.
Is 36% werkelijk een mild tarief?
In het politieke debat rijst de vraag of lastenverzwaringen uitsluitend bij werkenden moeten terechtkomen, of ook bij vermogenden. Die afweging is politiek van aard. De vaak gehoorde suggestie dat spaarders en beleggers met een tarief van 36% worden ontzien, vraagt echter om nuancering.
In vergelijking met ons omringende landen is het tarief hoog.
Bij aandelenbeleggingen is op het niveau van de onderneming al vennootschapsbelasting betaald voordat winst als dividend of waardestijging bij de belegger terechtkomt. Wanneer het rendement vervolgens nogmaals met 36% wordt belast, kan de gecombineerde druk uitkomen op ongeveer 52,5%.
Ook de combinatie met erfbelasting kan zwaar uitpakken. Eerst wordt het rendement tijdens het leven in box 3 belast. Daarna kan bij overlijden erfbelasting worden geheven over het resterende vermogen. Dat zijn juridisch verschillende belastbare feiten, maar voor de belastingplichtige en diens erfgenamen is de cumulatieve druk (tot 48,8% in de verhouding ouders-kinderen) wel degelijk relevant.
Daarnaast houdt een nominale rendementsbelasting geen rekening met inflatie. Bij een rendement van 10% en een inflatie van 3% bedraagt het reële rendement ongeveer 7%. Een box 3-heffing van 36% over het nominale rendement komt neer op 3,6% van het vermogen. Afgezet tegen het reële rendement is dat een effectieve belastingdruk van ruim 51%.
Op de stelling dat vermogenden met 36% worden gematst, valt dus het nodige af te dingen.
Verhuurders krijgen een subsidie
Een opvallende maatregel is de objectsubsidie voor middenhuurwoningen. Verhuurders kunnen €10.000 per woning ontvangen. Voor de regeling komt over vijf jaar in totaal €500 miljoen beschikbaar.
Rekenkundig is daarmee ruimte voor ongeveer 50.000 woningen, oftewel gemiddeld 10.000 woningen per jaar.
De precieze voorwaarden zijn nog niet bekend. Zo moet nog blijken of de regeling alleen geldt voor nieuwbouw of ook voor transformatie en bestaande huurwoningen. Ook is onduidelijk hoe lang een woning in de middenhuur moet blijven.
De politieke draai is opmerkelijk. De afgelopen jaren moesten vastgoedbeleggers min of meer plaatsnemen op het fiscale strafbankje. Hogere overdrachtsbelasting, huurregulering en een zware box 3-heffing maakten verhuur minder aantrekkelijk.
Waarschuwingen van verhuurders over verkoop van huurwoningen en teruglopende investeringen kregen aanvankelijk weinig gehoor. Kennelijk is de verkoopgolf inmiddels ernstig genoeg om beleggers met subsidie terug te lokken. Het kan verkeren.
Hypotheekrenteaftrek doorgeschoven
Op Prinsjesdag is geen belangrijke nieuwe beslissing genomen over de hypotheekrenteaftrek. Daarmee wordt een van de grootste fiscale dossiers opnieuw doorgeschoven.
Dat uitstel is begrijpelijk, omdat de hypotheekrenteaftrek politiek explosief is.
Onzekerheid over maatregelen schenken op papier
Het kabinet wil de forfaits in de schenk- en erfbelasting actualiseren. Prinsjesdag was een logisch moment geweest om over de voortgang te berichten, maar kennelijk is het kabinet nog niet toe aan een volgende stap. De stukken bevatten geen nieuws over de schenk- en erfbelasting. Dit levert mensen die nog in 2026 een schenking op papier willen doen een lastig dilemma op. Naast de vraag of er wat gaat veranderen, is er de vraag wanneer we dat gaan vernemen.
Afschaffing aftrek zorgkosten
Het kabinet wil het belastingstelsel vereenvoudigen door enkele negatief geëvalueerde fiscale regelingen af te schaffen, waaronder de aftrek voor zorgkosten. Uit de evaluatie blijkt dat deze regeling zeer complex is en vaak tot fouten leidt. De afschaffing levert € 560 miljoen op. Daartegenover staat een steunpakket van € 350 miljoen voor chronisch zieken. De maatregel zal naar verwachting tot kritiek leiden, omdat vooral kwetsbare groepen worden geraakt.
Stabiele koopkracht, uitgestelde keuzes
Deze Prinsjesdag draait om lastenverzwaringen en koopkrachtmaatregelen. De koopkrachtplaatjes ogen stabiel, maar onder de motorkap verschuift veel. Werkenden betalen miljarden meer en in 2028 zet die trend door. Het is de vraag of de koopkrachtplaatjes er dan nog redelijk uitzien. Schuift de rekening dan door naar vermogenden?
Gevoelige dossiers, zoals box 3 en de hypotheekrenteaftrek, blijven voorlopig liggen. Verhuurders die eerst uit de markt werden gedrukt, worden met subsidie teruggelokt.
Met deze voorstellen opent het kabinet de onderhandelingen. Welke oppositiepartijen een meerderheid mogelijk maken en welke aanpassingen zij in ruil daarvoor verlangen, moet nog blijken.
Ik schreef dit artikel met mijn collega Peter Beets.