Chat with us, powered by LiveChat

ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus

VBI opdoeken of koesteren?

Tegenvallende beleggingsresultaten door een kwakkelende beurs en/of een extreem lage rente. Dan voelt het niet lekker om als aanmerkelijkbelanghouder in een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) toch aangeslagen te worden voor een relatief hoog forfaitair inkomen in box 2.

In 2018 bedraagt dit inkomen 5,38% van de waarde van het belang in de VBI per begin van het kalenderjaar. In 2019 is dit zelfs 5,60%. Daarover betaalt men 25% inkomstenbelasting. Niet vreemd dat men dan kan gaan twijfelen aan het nut van de VBI als beleggingsvehikel. En men zich afvraagt of men de VBI-status niet beter kan kwijtraken. Die emotie is begrijpelijk. Toch is daar in veel gevallen rationeel gezien geen reden toe.

De ene VBI is de andere niet

Er zijn – afgezien van door financiële instellingen voor het grote publiek opgerichte beleggingsfondsen – 2 categorieën van VBI’s. Het verschil zit daarbij in de herkomst van het vermogen in de VBI.

  1. VBI’s die zijn opgericht door belegbaar vermogen uit een bestaande holding-BV met substantiële winstreserves af te splitsen; op dit vermogen rust een aanmerkelijkbelangclaim (IB box 2);
  2. VBI’s die zijn opgericht door privévermogen uit box 3 als kapitaal in een VBI te storten; op dit vermogen rust (bij aanvang) geen aanmerkelijkbelangclaim.

VBI’s met (grotendeels) beclaimd vermogen

Een groot deel van de bestaande VBI’s behoort tot de eerste categorie. Als gevolg van een wetswijziging worden sinds 20 september 2016 geen nieuwe VBI’s meer op die manier opgericht. Vóór die datum schoof de aanmerkelijkbelangclaim door naar de aandelen in de VBI. Nu moet men direct afrekenen in box 2 over bestaande winstreserves, waardoor dit niet langer fiscaal voordelig is.

VBI’s in de eerste categorie beschikken over winstreserves waaruit dividend kan worden uitgekeerd, ook als er geen rendement wordt gerealiseerd. Bij aanvang is de verkrijgingsprijs van het belang in de VBI te verwaarlozen. Stel we rekenen met een forfaitair voordeel in box 2 van 5,6% en een tarief van 25%. Dan is een dividend van 1,4% precies voldoende om de inkomstenbelasting in box 2 te betalen. Het daadwerkelijk uitgekeerde dividend komt in mindering op het forfaitaire inkomen in box 2, dat daarmee uitkomt op 4,2%. De fiscale verkrijgingsprijs van het belang in de VBI wordt met dit percentage verhoogd. Daardoor wordt de toekomstige aanmerkelijkbelangclaim navenant lager.

Naast de belastingclaim op het dividend dat daadwerkelijk de VBI verlaat, rekent men immers ook de belastingclaim over het forfaitaire inkomen af dat men niet ontvangt. Zolang de VBI gemiddeld genomen een rendement groter dan nul realiseert, levert dat een voordeel op boven beleggen in een vennootschapsbelastingplichtige entiteit.

Geen weg terug na kwijtraken VBI-status

Wanneer het beleggingsresultaat nihil of zelfs negatief is, levert de VBI-status geen voordeel op. Althans niet in dat jaar. De gedachte zou dan kunnen opkomen om de VBI-status – als dan niet tijdelijk – op te geven. De vennootschap wordt dan weliswaar met terugwerkende kracht tot het begin van dat boekjaar vennootschapsbelastingplichtig, maar hoeft toch geen belasting te betalen als er geen winst is. Omdat de VBI-status eraf is, is het forfaitaire voordeel in box 2 niet meer van toepassing.

Bedenk dat kwijtraken van de VBI-status onomkeerbare fiscale gevolgen heeft. Immers, zou de vennootschap later opnieuw de VBI-status verkrijgen, dan moet op dat moment in box 2 worden afgerekend over de volledige aanmerkelijkbelangclaim. En dat is onvoordelig. Wie over langere termijn bezien per saldo positieve rendementen maakt, is toch beter af mét de VBI-status. Ondanks het feit dat jaarlijks een stukje van de aanmerkelijkbelangclaim moet worden afgerekend.

VBI’s met (grotendeels) onbeclaimd vermogen

VBI’s die tot de tweede categorie behoren, zijn van een heel andere orde. Die zijn opgericht door particulieren met substantieel vermogen in box 3 waarover zij een relatief bescheiden rendement verwachten. Bij lage rendementen drukt de vermogensrendementsheffing in box 3 zwaar. Het kan dan voordelig zijn om de heffing in box 3 over een forfaitair rendement in te ruilen voor een heffing in box 2 over het werkelijke rendement. Bijvoorbeeld door  samen met één of meer andere beleggers vermogen in een NV of open fonds voor gemene rekening (OFGR) in te brengen. Onder voorwaarden kan die NV of OFGR de VBI-status verkrijgen en aldus zonder heffing van vennootschapsbelasting beleggen. Bij aanvang is de verkrijgingsprijs van het belang in de VBI hier gelijk aan het ingebrachte vermogen.

Opbouwen potentieel verlies box 2

Ook in deze situatie heeft men als aanmerkelijkbelanghouder in de VBI te maken met het forfaitaire voordeel in box 2. Wanneer het rendement dat de VBI behaalt minder is dan het forfaitaire rendement, zal een potentieel verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) ontstaan. De verkrijgingsprijs komt dan steeds verder boven de werkelijke waarde van het VBI-vermogen te liggen. Stel bijvoorbeeld dat het rendement nul is en de VBI (nog) niet beschikt over winstreserves waaruit dividend kan worden betaald.

De VBI kan in beginsel wel kapitaal terugbetalen. Wat onder voorwaarden onbelast kan gebeuren. Uitgaande van een forfaitair voordeel in box 2 van 5,6% en een belastingtarief van 25%, is een (onbelaste) terugbetaling van kapitaal van 1,4% nu eveneens voldoende om de inkomstenbelasting in box 2 te betalen. De verkrijgingsprijs van het VBI-belang wordt verhoogd met het in aanmerking genomen forfaitaire voordeel van 5,6%, maar daalt tegelijkertijd door de terugbetaling van kapitaal met 1,4%. Per saldo neemt de fiscale verkrijgingsprijs van het belang in de VBI ook nu toe met 4,2%. Terwijl het vermogen in de VBI met 1,4% afneemt. Per saldo neemt het (negatieve) verschil tussen de waarde van het vermogen en de verkrijgingsprijs dan dus toe met 5,6%.

Verlies te gelde maken

Als men aan de ene kant circa 1,3% – 1,7% box 3-heffing bespaart en aan de andere kant 1,4% belasting in box 2 betaalt, is dat weinig voordelig. Het voordeel moet vooral ontstaan doordat het opgebouwde potentiële verlies in box 2 ‘te gelde gemaakt kan worden’. Dat kan door het verlies in box 2 dat in enig jaar tot uitdrukking komt, te compenseren met positief inkomen in box 2 uit andere jaren. Nu is verliesverrekening nog mogelijk met positief inkomen in box 2 van het voorgaande jaar en 9 toekomstige jaren. Als het Belastingpakket 2019 in werking treedt, zal de voorwaartse verliesverrekening beperkt worden tot 6 jaren.

Het verlies uit aanmerkelijk belang komt bijvoorbeeld tot uitdrukking wanneer de VBI wordt geliquideerd (opgeheven). Normaliter kan bij liquidatie alleen het (forfaitaire) inkomen van het voorgaande jaar dan compensatie bieden (tenzij men nog aandeelhouder van een andere vennootschap blijft). Als gedurende meerdere jaren potentieel verlies is opgebouwd, zal daarmee slechts een deel van het verlies gecompenseerd kunnen worden. Er is dan nog wel een mogelijkheid om het verlies om te zetten in een toekomstige korting op de verschuldigde inkomstenbelasting in box 1. Maar dan wordt het een ingewikkelde en lange weg om het beoogde voordeel te bereiken. Wie structureel een zeer laag rendement maakt, is misschien beter af zonder VBI-status.

Deel deze pagina

Artikel geschreven door:

Profiel foto van René Bruel
René Bruel DGA en BV, internationale belastingen

René Bruel is werkzaam binnen het Kenniscentrum. Hij houdt zich met name bezig met internationale vraagstukken op het gebied van vermogensstructurering en estate planning. Daarbij bouwde hij een bijzondere expertise op over financiële en fiscale aspecten bij het tweede huis in het buitenland.

Vrijblijvend van gedachten wisselen met een specialist?

ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus
Logo of ABN AMRO MeesPierson | Financial Focus