Direct naar content

Wanneer wordt een vakantiehuis te duur om te houden?

Gepubliceerd op:
6 min. leestijd

Een eigen huisje op Texel, aan het Veluwemeer of ergens in Zeeland. Een plek waar de kinderen vroeger zandkastelen bouwden en inmiddels misschien met hun eigen kinderen komen. Voor veel eigenaren is een vakantiehuis veel meer dan een belegging. Er zitten herinneringen in, die niet op een bankrekening passen.

Maar er valt tegenwoordig behalve zand, ook iets anders op de mat: de rekening.

Onderhoud, energie, verzekering, gemeentelijke belastingen, park- of beheerkosten en natuurlijk box 3. Alles bij elkaar kan dat een stevig bedrag worden. En dan ontstaat een interessante vraag. Niet alleen: kan ik mijn vakantiehuis nog betalen? Maar: wil ik er nog zoveel geld aan uitgeven?

Wanneer die grens wordt bereikt, is persoonlijk. Maar door alle jaarlijkse kosten terug te rekenen naar een bedrag per gebruiksdag, wordt de afweging wel een stuk concreter.

Wat is de fiscale rekening?

Laten we eerst naar de fiscale rekening kijken, ofwel de belasting in box 3.

Een vakantiewoning in Nederland is in 2026 in box 3 een ‘overige bezitting’. Daarvoor geldt in 2026 bij de reguliere berekening een forfaitair rendement van 6%. Het tarief is 36%.

Stel dat de WOZ-waarde € 1 miljoen bedraagt. De box 3-heffing kan in 2026 dan oplopen tot grofweg € 21.600. Voor andere situaties: per € 100.000 aan WOZ-waarde, gaat het in 2026 om maximaal € 2.160 box 3-heffing.

Het kabinet stelt voor om het forfaitaire rendement voor 2027 met 1,5% te verhogen, als onderdeel van de financiële dekking van het nieuwe box 3-stelsel. Uitgaande van 6,37% vóór die verhoging komt het forfait daarmee uit op 7,87%. Bij een tarief van 36% is dat een belastingdruk van ongeveer 2,83% over de belaste grondslag. Bij een WOZ-waarde van € 1 miljoen komt de rekening dan op € 28.300 (€ 2.830 per € 100.000 aan WOZ-waarde).

Biedt de tegenbewijsregeling verlichting?

Als het werkelijke rendement lager is, kan de tegenbewijsregeling uitkomst bieden. Maar die regeling heeft een opmerkelijk element. Wie zijn vakantiehuis zelf gebruikt, moet vanaf 2026 een bedrag voor dat eigen gebruik tot het werkelijke rendement rekenen. Een percentage van 5,06% over de WOZ-waarde is het uitgangspunt. Bij een kleine stijging van de WOZ-waarde kom je dan al boven 6% uit.

Wat staat er nog meer op de rekening?

Een vakantiehuis moet worden onderhouden en verzekerd. Er zijn kosten voor gas en elektriciteit, soms forse park- of beheerkosten en gemeentelijke belastingen. Denk aan de onroerendezaakbelasting en in sommige gemeenten aan forensenbelasting.

Een cliënt van ons zette onlangs voor zijn vakantiehuis op een Waddeneiland alle bedragen op een rij. Hij kwam op ongeveer € 10.000 per jaar. En dan zijn onderhoud en periodieke grote uitgaven voor bijvoorbeeld keuken, badkamer en verduurzaming nog niet meegerekend. Financieringskosten speelden hier niet, maar kunnen in andere situaties de rekening verhogen.

Wat kost een dag in je eigen huis?

De optelsom van box 3 voor 2026 en 2027 komt op € 49.900. De andere kosten voegen ten minste € 20.000 toe. Stel dat u zes weken per jaar in het huis verblijft. Voor dit en komend jaar kost een dag in uw eigen vakantiehuis dan omgerekend circa € 830. Dan wordt de vraag ineens heel concreet: hoeveel is het bezit van die eigen plek u waard?

Staat wat ik betaal nog in verhouding met wat ik terugkrijg?

Dat is de vraag die onze cliënten zich steeds vaker stellen. Soms zijn het de directe kosten die deze vraag op tafel leggen. Soms spelen ook andere factoren een rol. Misschien kwamen de kinderen vroeger ieder weekend en hebben ze nu andere vakantieplannen. Misschien mag de woning minder gemakkelijk worden verhuurd.

Hoe dan ook, de vraag ligt op tafel. Excelberekeningen worden geactualiseerd en in de familie wordt overlegd.

Werkelijk rendement, behalve als het niet uitkomt?

Als de huidige planning wordt gehaald, verandert box 3 per 1 januari 2028. Het uitgangspunt wordt belastingheffing op basis van werkelijk rendement. Voor vastgoed komt er een vermogenswinstbelasting. Een waardestijging wordt dan belast zodra die wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop.

Dat klinkt logisch. Eerst winst, dan belasting. Maar bij een vakantiehuis voor eigen gebruik komt er iets bijzonders bij. Voor die woning blijft een forfaitaire vastgoedbijtelling bestaan (in het huidige wetsvoorstel: 3,35% van de WOZ-waarde).

Of anders gezegd: in een stelsel dat werkelijk rendement heet, wordt voor het eigen gebruik van een vakantiehuis toch weer een forfaitair inkomen vastgesteld.

Dat blijft ons intrigeren. De eigenaar ontvangt immers niets als hij zelf drie weken in zijn huisje zit. Er komt geen huur binnen en er wordt geen winst gerealiseerd. Natuurlijk heeft het gebruik van het huis economische waarde. Maar dat geldt ook voor iemand die een kostbare boot of camper bezit en daarvan geniet. Is het niet logischer om de belastingheffing te beperken tot de waardestijging, ofwel het werkelijke rendement?

En dan overlijdt uw partner

Er zit nog een andere scherpe rand aan het voorgestelde systeem. Stel: een echtpaar heeft al dertig jaar een vakantiehuis. Ooit gekocht voor een bescheiden bedrag, inmiddels veel meer waard. Het huis is de plek waar kinderen en kleinkinderen samenkomen.

Dan overlijdt een van de echtgenoten. Het vakantiehuis wordt niet verkocht. Er verschijnt geen koper met een zak geld. Voor de langstlevende verandert er in praktische zin misschien nauwelijks iets. Volgende zomer zit de familie weer aan dezelfde tuintafel.

Fiscaal kan er ondertussen wel degelijk iets gebeuren. Bij vastgoed is onder het nieuwe stelsel immers een latente belastingclaim op de waardestijging vanaf (in beginsel) 1 januari 2028 aanwezig. Bij overlijden ontstaat een afrekenmoment, zonder dat het pand werkelijk aan een derde wordt verkocht. En dan komt ook de erfbelasting nog langs.

De belastingclaim ontstaat dus niet doordat iemand zijn winst incasseert. De aanleiding is dat iemand overlijdt.

Voor huwelijken en echtscheidingen is inmiddels aandacht gekomen voor situaties waarin een fiscale afrekening onwenselijk kan uitpakken. Bij overlijden verdient naar onze mening dezelfde vraag aandacht. Een papieren winst is geen ‘werkelijk rendement’ en in combinatie met erfbelasting kan de belastingdruk in de verhouding tussen partners oplopen tot circa 49% (van iedere € 100.000 ‘winst’ resteert na 36% box 3-belasting en 20% erfbelasting € 51.200).

Hebben we dit niet eerder gezien?

Bij huurwoningen hebben we gezien dat eigenaren niet op één maatregel reageren, maar op de rekening onderaan de streep. Box 3, huurregulering, financieringslasten en andere maatregelen werkten op elkaar in. Er is een verkoopgolf op gang gekomen die voorlopig niet lijkt te stoppen. De vraag is of vakantiewoningen nu dezelfde kant op gaan.

Is Spanje straks aantrekkelijker dan Zeeland?

Nederlanders zijn inmiddels enthousiaste kopers op de Spaanse woningmarkt. Daarbij wordt fiscaliteit soms expliciet als argument genoemd.

Vanuit Nederlands perspectief is deze trend zeker relevant. Want met de eigenaar reist ook zijn geld naar het buitenland. De verbouwing wordt in Spanje gedaan, het restaurantbezoek vindt daar plaats en de boodschappen worden daar afgerekend. Daar worden we in Nederland niet beter van.

Overigens pakt de Spaanse tegenhanger van box 3 bij overlijden anders uit: in Spanje is dan alleen erfbelasting verschuldigd. Zoals hiervoor toegelicht, heft Nederland daarentegen eerst box 3 bij de overledene en vervolgens erfbelasting bij de erfgenamen.

Bij welke totale rekening verandert gedrag?

Een vakantiehuis kan een belegging zijn. Het kan ook een luxe gebruiksgoed zijn. En soms is het vooral een familiehuis waar een financiële waarde toevallig naast een grote emotionele waarde staat. Dat betekent niet dat een tweede woning onbelast moet blijven.

In Den Haag gaat het bij box 3 wellicht nog het meest over de vraag hoeveel het nieuwe stelsel moet opbrengen. Natuurlijk is dat belangrijk. Maar is de volgorde niet verkeerd? Een goed belastingstelsel zou volgens ons deze volgorde niet uit het oog moeten verliezen:

1. Welk werkelijk economisch voordeel is er?

2. Wanneer wordt dat voordeel daadwerkelijk gerealiseerd?

3. Is er op dat moment ook geld beschikbaar om belasting te betalen?

4. En welk belastingtarief vinden we vervolgens redelijk?

Bij het vaststellen van een redelijk belastingtarief moeten ook gedragseffecten worden meegewogen. Daarbij moet breder worden gekeken dan de betreffende belasting. Voorkomen moet worden dat een collectieve grens van kunnen of willen betalen wordt overschreden. Bij huurwoningen hebben we gezien wat er kan gebeuren wanneer veel eigenaren min of meer gelijktijdig concluderen dat die grens is gepasseerd. Wordt de Nederlandse vakantiewoning het volgende voorbeeld? Meer over de tegenbewijsregeling in box 3 leest u in ons artikel “Uw vakantiewoning en fictief inkomen in de tegenbewijsregeling en vanaf 2028”.

Ik schreef dit artikel met mijn collega Peter Beets.

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.

Over private banking

Vermogen biedt kansen en verplichtingen. Het is daarom prettig als er iemand met u meedenkt en samen met u de mogelijkheden verkent. Met persoonlijke aandacht bent u verzekerd van waardevol advies en dienstverlening op maat.
Over private banking