Direct naar content

Stel dat u een huis verhuurt aan uw kind(eren). Voor welke waarde neemt u dit huis dan op in box 3 in uw aangifte inkomstenbelasting over het belastingjaar 2020? De hoofdregel voor de waardering van bezittingen in box 3 is de waarde in het economische verkeer. Voor bijvoorbeeld woningen gelden andere regels. In principe geldt dan de WOZ-waarde.

De WOZ-waarde is het door de gemeente vastgestelde bedrag dat het huis zou moeten opbrengen op 1 januari van het voorgaande jaar. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2020 gaat het daarom om de waarde op de waardepeildatum 1 januari 2019. Hier leest u ook meer over de WOZ-waarde en onder andere over de situatie bij een woning in aanbouw.

Verhuurde u op 1 januari 2020 een huis in Nederland waarvoor de huurder toen recht had op huurbescherming? Dan geldt voor dit huis een lagere waarde voor de belastingaangifte over 2020 dan de WOZ-waarde op 1 januari 2019. De (kale) jaarhuur bepaalt hoeveel lager de waarde is. Op de pagina ‘Waarde verhuurde woning als overige onroerende zaak’ van de Belastingdienst leest u hier meer over. Daar vindt u ook de tabel met het percentage waarmee u de WOZ-waarde dan in principe moet vermenigvuldigen, de zogenoemde ‘leegwaarderatio’.

In bepaalde situaties geldt een vast percentage van de WOZ-waarde. Bijvoorbeeld als de huur onzakelijk is omdat de huurprijs veel lager (of hoger) is dan gebruikelijk. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als u als ouder het huis aan uw kind tegen een te lage huurprijs verhuurt. Het vaste percentage waarmee u de WOZ-waarde moet vermenigvuldigen is dan 62% (op basis van een vaste huurprijs van 3,5% van de WOZ-waarde). Denkt u eraan dat als u bijvoorbeeld een lagere huurprijs in rekening brengt aan uw kind, in principe sprake is van een (met schenkbelasting belaste) schenking van u aan uw kind (afgezien van eventuele vrijstellingen).

Heeft u een vraag over dit artikel?

De specialisten van ABN AMRO MeesPierson komen graag met u in contact.